
Zeg weet je
Ik las dat otters elkaars poot vasthouden om elkaar niet kwijt te raken. In de dierentuin van Lissabon zag ik voor het eerst een otter van nabij. Vanaf een brug zag ik een vrouwtjesotter drijven op haar rug met op haar buik haar pasgeboren jong. We zeiden 'ach, en och, en kijk toch eens' vanaf die brug. Nu blijken ze ook nog 'elkaars hand vast te houden' om niet uit elkaar te drijven. Ik moest denken aan de tijd dat de man en ik uit elkaar dreven. Ook mensen komen in stromingen terecht. Ik dacht aan hoe ver de man en ik wel niet van elkaar verwijderd raakten. Dat de gedachte, dat als ik toen gewoon zijn hand had gepakt, me niet meer losliet. We vonden elkaar wel weer terug hoor, maar daar gingen jaren overheen.
Ik ben geen hand in hand loper. Toch was er de gedachte, 'wat je liefhebt moet je bij de hand nemen'. Dat kwam door die otters. Ik had het er met niemand over, alsof het een geheim was. Zei niet tegen de man: 'Zeg weet je ...?' Alsof ik daarmee een nalatendheid zou prijsgeven. Liefst dacht ik niet aan otters. Vroeg of laat zouden ze wel weer opduiken, als metafoor voor iets, in een tekst ofzo.
Toen viel op Koningsdag het poëzietijdschrift Het Liegend Konijn met een plof op de mat. Ik zette het gaspit onder de espressopot laag, nam het uit zijn kartonnen verpakking. Al jaren komt Het Liegend Konijn tweemaal per jaar door de brievenbus mijn huis binnen. Er zijn gewoontes ontstaan. Eerst lees ik alle namen op het voorplat (tweeëndertig). Ik lees ze hardop. Tel de lettergrepen als zoek ik het ritme van een gedicht op mijn vingers: Frouke Arns (3)/ Claude van de Berge (6) / Jacobus Bos (4) / Jonas Bruyneel (4) / Pim Cornelussen (5) / Tjitske de Haas (4) / Paul Demets (3) / Mattijs Deraedt (4)/ Lieve Desmet (4)/ Hanneke van Eijken (6)/ Luuk Gruwez (3) enzovoort. Alles aan een poeziëtijdschrift wordt eenvoudigweg poëzie.
Dan begint het bladeren, van achter naar voor. Als bij het leggen van de tarot laat ik de regels van een gedicht tot me spreken. Mijn blik vangt woorden, regels die onbekommerd ontvangen worden. Niets is mooier dan het moment van de eerste keer. Regels van dichter Dirk Vis: 'zeeloos zwom de vis van gootstenen en stroompjes' en 'Hoe is het om zee te zijn? vraagt de vis', springen naar voren. Toen kwam Anne Provoost met, 'Mijn zusje brak. Ik liep rond in de stad want ik wilde haar lijmen maar'. Daar kom ik bij terug wist ik. Maar eerst bladerde ik door tot: 'en iedereen schrijft al over otters die elkaars poot vasthouden', van Lena Plantinga. Ik voel me betrapt. Zij geeft aan dat dit teken van saamhorigheid onder otters een gegeven is dat je zou kunnen gebruiken, maar niet in de vorm van: 'Zeg weet je...'. Plantinga gebruikt het als ontkenning, niet over otters schrijven omdat iedereen dat al zou doen. En ondertussen. Er was eerst een schok, alsof iemand er met mijn otters vandoor was gegaan. Nadat ik het hele gedicht gelezen had, fluisterde ik, 'Geweldig, hoe ze dit gebruikt.'
'Een verlangen naar veelheid'
'Je loopt over de Herengracht naar een schrijfcursus
betaald van geld voor huur, de schrijver vraagt waarom
waarom schrijf je niet over verlangen, daarmee bedoelt hij niet
het verlangen om een man te pijpen die op je hoofd klopt
zegt goed gedaan, narcisme is onaantrekkelijk
en iedereen schrijft al over otters die elkaars poot vasthouden
(...)'
Een gedicht in vijf coupletten. Waarin een niet weten wat, wie en hoe te leven is neergezet. Het eindigt met: 'je denkt aan alle wants en needs die nodig schijnen te zijn / om een held te vormen // je balt een vuist / ziet de vorm van een hart / en van een otterpoot'.
Opnieuw fluister ik, 'Geweldig!' Dat Plantinga weet heeft van het hart, het vasthouden van een hand. Weet heeft van het belang van dit alles. Het is gek gesteld met een geheim. Je denkt dat als jij het er niet over hebt, niemand het weet. Maar dichters weten alles. Ze vangen beelden, woorden, sluiten die in zichzelf op, maken daar poëzie van. Waarna ze die op je afsturen in zoiets als Het Liegend Konijn. Ondertussen blijf ik aan otters denken. Gisteren nog, toen de man en ik door een feestelijk aangeklede stad liepen. Er woei een koude wind, ik pakte zijn hand, dacht otters.