Gedoe met tenen

Ik droomde dat ik de grote teen van beide voeten had afgesneden. Het leven leek me eenvoudiger zonder. Ik was in een café waar de tapkast met een houten, nicotinegeel trapje te bereiken was. Mijn tenen had ik er in een oogwenk af, er was geen bloed. Dat leek me een goed teken. Ze zouden me niet meer in de weg zitten bij het schoenen passen. Ik keek naar mijn voeten als naar een stilleven. Toen moest ik gaan.

Ik beklom het nicotinegele trapje om af te rekenen. Het liep wat raar. Het kleine teentje moest nu aanzienlijk meer inspanning verrichten. Bij elke trede van het houten trapje verloor ik van beide voeten steeds een teen. Het ging vanzelf. Er waren vier treden. Boven aangekomen kon ik me nog net vastgrijpen aan de toog. Een man met een uitzonderlijk bol oog keek me verstoord aan. Of ik niet wist dat niemand hier afrekende. 'U hoort van ons', zei de man.

Achterwaarts ging ik het trapje weer af. Dat was nog een hele klus. Op handen en knieën belandde ik op de vloer van het café die - zo even nog een vlakke plankenvloer - golfde als een onrustig beekje. Er viel een ober over me heen. Hij hield een dienblad waarop twee pils en twee lijkwitte tenen op een servetje met een bakje mosterd fier omhoog. Ik durfde niet te zeggen dat het mijn tenen waren. Het overviel me opeens, dat hele gedoe met die tenen. Ik vroeg me af hoe ik er op gekomen was. Een goed idee blijkt dat niet zelden achteraf ook nog te zijn.

Maar ik moest nu echt gaan. Op mijn hakken hupte ik naar buiten, keek nog even achterom naar de plek waar ik gezeten had. Ik dacht, hoe vertel ik thuis dat ik mijn tenen in een café heb achtergelaten? Toen hoorde ik Joan Didion, 'The willingness to accept responsibility for one's own life is the source from which self-respect springs.' Daar had ik het mee te doen.

Toen ik wakker werd, vroeg ik me serieus af waarom ik zo onverantwoord met mijn tenen was omgesprongen. Welke geest was er in mij gevaren. Of kwam het door de zes wonderlijke verhalen van Roos van Rijswijk die ik achter elkaar had uitgelezen?

 

 

Verhalen van Roos van Rijswijk: Wat ben ik meer dan stilte
Schilderij: Edouard Manet (c. 1881)

 

 

Uit de tijd gevallen

Terwijl ik de lijstjes die nog voor de vakantie moeten worden afgewerkt met kracht aan de wand prik, denk ik opeens aan een verhaal van Anton Koolhaas. Waarin een woedende vrouw een punaise in de buitenmuur van haar flat drukt waardoor de muur splijt en zij van driehoog naar beneden stort. Toen ik met een punaise die lijstjes aan de muur prikte, stelde ik mij in een fractie van een seconde voor dat die muur zou meegeven en ik, met al mijn kracht in mijn duim verzameld op die punaise drukkend, voorover zou vallen. Het leek me eigenlijk wel heerlijk om in het oneindige te storten. Dat die lijstjes dan van generlei belang zouden blijken te zijn. Ik dacht aan de zweefduik die de vrouw uit het verhaal maakte. Zo diep zou ik niet vallen. Ik zou vooroverbuitelend, onder het stof van steengruis in de voortuin tussen de hortensia’s terechtkomen.

Terwijl ik de man de vakantiestress bezorg waarvan ik zeg daar zelf geen last van te hebben, wil ik alleen nog maar vallen. Zoals Angelique in de roman Onheilig van Roos van Rijswijk, die steeds het gevoel van vallen ervaart wanneer ze eigenlijk even van de kaart zou willen verdwijnen. Het beste wat mij kan overkomen is een migraine aanval die minstens twee dagen duurt. Wanneer je hoofd totaal gecrasht is dat je zelfs het gefilterde zonlicht door de bladeren van de lindeboom voor het raam niet kunt verdragen, is het tijd om alles te laten vallen.

Toen de lijstje om me heen fladderden, de dagen wegvielen dacht ik: ‘Zo is het gebeurd, zo is het gebeurd’. Een van de mooiste titels van een kleine roman van de Italiaanse schrijfster Natalia Ginzburg, geschreven in een taal zo sober dat je opeens begrijpt dat echt goede verhalen in stilte geschreven zijn. Hoe verzin je een vrouw die met een man trouwt om de simpele reden dat ze altijd wil weten waar hij is? Voor ze deze veel oudere man leerde kennen, fantaseerde ze over haar toekomstige leven. ‘Ik fantaseerde altijd van alles als ik languit op mijn bed lag in het pension. Ik dacht hoe prettig het zou zijn als ik getrouwd was en een eigen huis had. (…) en verbeeldde me dat ik lui achterover in een grote fauteuil zakdoekjes zat te borduren. De man met wie ik zou trouwen zag er nu eens zus en dan weer zo uit, maar zijn stem klonk altijd eender en in mijn hart luisterde ik naar die stem, die steeds weer dezelfde ironische en tedere dingen zei.’

Ginzburg voert mensen op die hun huis nooit verlaten om de eenvoudige reden dat hun schoenen knellen. Haar verhalen zijn behoorlijk armzalig en tragisch. Als ik die eerste passage lees waarin het hoofdpersonage in een tiental onschuldige zinnen haar echtgenoot introduceert terwijl hij een trein tekent, wat rook uit de locomotief en een mannetje dat zwaait uit het raam van een coupé. Haar echtgenoot kan tekenen en dat is leuk om in een huwelijk te communiceren via tekeningen. Dat het zwaaiende mannetje haar echtgenoot verbeeldt die haar vaarwel zegt, is minder leuk. Na die tien onschuldige zinnen staat daar opeens: ‘Ik heb op zijn ogen geschoten’. Dan wil je pas goed door lezen. Over hoe deze kleurloze jongedame haar leven schwung gaf door haar echtgenoot neer te schieten. Langzaam kwam ik weer in de dag. Echt goede verhalen brengen de tijd weer op gang. Nu eerst die lijstjes afwerken en de vakantie kan beginnen.