Achter de boeken

De boeken die in 2025 gelezen werden (at least 80) en niet in het schriftje voor gelezen boeken werden bijgeschreven, wilden alsnog een lijstje worden. Dus pluis ik mijn dagboek erop na, scrol door de columns die voor Literair Nederland werden geschreven. En dan die wonderlijke leesclub 224 p., waar we twee boeken per keer bespraken, tot we naar het (heimelijk gewenste) een boek gingen, en nu, om onduidelijke motieven er weer twee lezen. Het heeft te maken met gretigheid. Dan de boeken die ik ongezien (niet over schreef) gelezen heb, en de boeken die ik ter ter voorbereiding voor een interview las. Niet te vergeten de poëziebundels die naar behoefte gelezen werden. En kijk daar ontstaan de categorieën: interviews; leesclub; columns; lezen om het lezen; poëzie.

 

Interviews (12)
Obe Alkema / Bewogen selfies
Obelisque

Vonne van der meer / Aan haar lippen
                                        Spookliefde
                                        take 7
                                        Ik verbind u door
                                       De vrouw met de sleutel

Paul Demets / De bijendans
                            De hazenklager
                            De schaamsoort

Gregor Verwijmeren / De Alpenfederatie
De vorm van geluid

(interview verschijnt binnenkort)     

 

Leesclub 224 p. (12):
Rachel Kushner / Creation Lake
Maeve Brennan / De twaaljarie bruiloft
Katrhyn Scanlan / Vier de teugels
Ghassan Kanafani / Mannen in de zon
Charlotte van Den Broeck / Waagstukken
Levi Jacobs / Wie ik ben 
Tezer Özlü / De kille nachten van de jeugd
Felicia Viti / Het verticale meisje
Gregor Verwijmeren / De Alpenfederatie
John Fosse / Een schitterend wit
Ocean Vuong / De keizer van Gladness
Jenny Erpenbeck / Heden en verleden

Columns / recensies (23):
Pirkko Sousia / Het kleinste gemene veelvoud
Frida Vogels / In den vreemde
Heidi Koren / Dat zijn wij zelf
Parelduiker
Bertolt Brecht / Gesprekken tussen vluchtelingen
Margaret Laurence / De stenen engel
De Revisor #45 HET ZELFPORTRET    
Mariska Kleinhoonte van Os / Tussen de mazen
Marijke Schermer / In het oog
Thomas Heerma van Voss / Het archief
Beate Helly Maria / De Wittenbergtape
Brigitte Ars / Het wilde vrouwenpad
Menno Hartman / De wereld in 48 stukken
Mariet Meester / Een vrij leven
Lara Taveirne / Wolf  
Marja Pruis / Huiswerk
Deus Ex Machina nr. 192
Andrea Bajani /Het jublileum
Michiel van Diggelen / Ab Visser, Biografie
Twan Vet / Troostpogingen
Gerrie Hondius / Ik ontmoette een man
Rebecca Solnit / Herinneringen aan mijn onzichtbaarheid
Erri De Luca / Onmogelijk

Dan de boeken die ik tussendoor las, me voornam erover te schrijven, maar niet deed. Dat laat niet los. Er zijn verhalen die me bijbleven, de stem van een auteur. Lieve Joris las ik in de zomer toen we bij vrienden in Antwerpen logeerden. Terug naar Neerpelt is een intens familiedrama. Ik kon het niet meer wegleggen, ging er vroeg om naar bed. Hoe een gezin met negen kinderen, waarvan Lieve Joris het vijfde is, lijdt onder de drugsverslaving van het derde kind, broer Fonny. Met zachte hand beschrijft Lieve Joris de teloorgang van een familie. Meteen daarna kocht ik Hildeke, over haar zusje met het syndroom van Down, en over haar vader in een verzorgingstehuis. Ik zei het al, met zachte, en liefdevolle hand geschreven.

En dan, de verhalen van Raymond Carver, sprakeloos wordt ik daarvan. En Jo Komkommers De terugkeer van de charlatan, over vervlogen dagen. Een boek waarin ik, in welke stemming ik ook verkeerde, wilde verder lezen (en er zo weer in kan beginnen). Het werkt troostend, ook als ik niet getroost hoef te worden. Wat dat is. Het onverbloemd schrijven over het verlangen naar roem. Denken aan dingen en mensen tegen het vergeten in. Ook Jo Kommer toont zich een liefdevol schrijver met een zweem van weemoed. Daar moet nog iets mee. En Ota Pavel, die wonderlijke schrijver van kleine drieluikjes, de vader, de zoons en de moeder. Hoe die in elkaar schuiven. Het gemarchandeer van de vader op weg naar succes, de zoon die het aanschouwt, de moeder die er commentaar op levert. En dan het mislukken van alles. Prachtig boek! Kees Verheuls Rusland begint bij de IJssel, ook al zo herlezingswaardig. En het mooie boek met een verzameling columns van Eric de Rooij, Uit tallozen, jij, alleen die titel al. Over de boeken die de auteur gevormd hebben, een leidraad op zijn levenspad vormden. Openhartig op een manier die de schrijver voor je inneemt.

 

Lezen (25):
Adinda Akkermans & Roos Menkhorst /  Bibeb, Biechtmoeder van Nederland
Jan Brokken / De weemoed van de reiziger
Maurits de Bruin / Man maakt stuk
Melanie Reumers /De wereld een lichaam
Erik Hartevelt / Pooltochten dromen
Raymond Carver / Een kleine weldaad, alle verhalen
Tove Ditlevsen / de biografie (Jens Andersen)
Iris Murdoch / Het Italiaanse meisje
Marieke Groen / Het verhaal van mijn schaarste
Thomas Heerma van Voss / De prullenmand heeft veel plezier aan mij
Josephine Johnson / Binnen eiland
Lieve Joris / Terug naar Neerpelt
Hildeke
Jo Komkommer / De terugkeer van de Charlatan
Joan Didion / Notities voor John
Edouard Louis / De ondergang
Katherine Mansfield / Puur geluk
Ota Pavel / Hoe een reebok ons leven redde
Marja Pruis / Oplossingen
Astrid H. Roemer / Liefde in tijden van gebrek
Eric de Rooij / Uit tallozen, jij 
Karin Smirnoff / Mijn moeder
Kees Verheul / Rusland begint bij de IJssel
Joke de Wolf / Het moedermodel
William Trevor / Het verhaal van Lucy Gault

 

Poëziebundels (9):
Wim Brands / 's Middags zwem ik in de Noordzee
Seamus Heaney / Vereffeningen
Les Murray / De slabonenpreek
Eva Meijer / Variaties op aanwezigheid
Mary Oliver / A Thousand Mornings
Sylvia Plath / Ariël
Vrouwkje Tuinman / Wat ik met de sleutel moet
Peter Verhelst / Zing zing
Jos Verstegen / Zijn overhemden op jouw huid

 

 

Opgroeien in een gevangeniskolonie tot je stikt

Schrijfster Mariët Meester hield in de Koepelkerk in gevangenisdorp Veenhuizen een lezing over haar autobiografische boek, Koloniekind. Wie het werk van Meester kent, weet dat het gevangenisdorp waar zij opgroeide, in meerdere boeken van haar een rol speelt. Gaat het niet expliciet over Veenhuizen, dan toch over besloten gemeenschapsvormen, zoals in De overstroming, De mythische oom, een sfeer daarvan is zelfs te proeven in haar laatste roman Pingping. Naar hoe het werkelijk was om als meisje, dromend van een schrijversbestaan, als opstandige puber daar te leven was nog niet eerder beschreven. Opgroeien in een dorp waar niemand van buitenaf zomaar mocht binnenkomen. Wie dat toch deed, werd door speciale wachters gesommeerd het terrein te verlaten. Bezoek moest worden aangemeld, waarna het bezoek een papiertje kreeg waarop stond dat ze toestemming hadden daar te verblijven. Dat moesten ze te allen tijde kunnen laten zien als daar om gevraagd werd.

Het was dezelfde Koepelkerk waar ze, zoals in Koloniekind staat, op haar veertiende wegliep om er nooit meer een dienst mee te maken. Aanleiding was een ruzie met haar vader die de bijbel als leidraad nam voor goed en kwaad. Dat hij daar zelf tegenover zijn kinderen niet naar handelde, was wat de veertienjarige Meester stak. Hij confronteerde haar bij elke maaltijd met de kindjes in Biafra. ‘Op een dag, na het zoveelste conflict (...), stond ik stampend van woede van tafel op en stormde naar mijn slaapkamer (...).’ Die avond pakt ze het bijbeltje van haar vaders nachtkastje, gooit het vol minachting in de prullenbak. De zondag daarop noemt de dominee in zijn preek dat de dochter van een kerkenraadslid vond dat haar vaders gedrag niet overeenstemde  met ‘de grondbeginselen van het geloof’. Dat ze haar vaders bijbel in de prullenbak heeft laten verdwijnen. Waarop zij beledigd de kerk uit stormt om nooit meer terug te komen. 

Altijd druk, elke avond weg

Voor haar ouders was het een avontuur om vanuit Den Haag naar de gevangeniskolonie in Drenthe te verhuizen met een baby, Mariët. Haar vader werd meester op de School met de Bijbel. In latere jaren worden er nog twee jongetjes geboren. Hoewel Meester zegt dat ze gelukkig is geweest in Veenhuizen, spreekt er vooral een eenzaam kind in Koloniekind. De ouders zijn altijd druk, bijna elke avond weg. Als kind voelt ze zich samen met haar broertjes er maar bij aanhangen, dat haar ouders enkel op elkaar gericht zijn. Benauwend lijkt het ook voor de ouders te zijn geweest. De vader raakt overspannen. Je moest altijd klaarstaan in zo'n gemeenschap, je kon de boel geen moment laten versloffen.

Alle schoolvakanties ging het gezin erop uit, kamperen, wandelen in de bergen. In het jaar dat ze naar Oostenrijk gaan, is haar broertje ziek. Tegen beter weten in vertrekken ze toch. In Oostenrijk wordt haar broertje met meningitis in het ziekenhuis opgenomen. Meester beschrijft hoe haar ouders, onder spanning, vanaf de camping naar het bezoekuur in het ziekenhuis het in de auto erover hebben wat ze moeten doen als Wout mocht sterven. Dat het makkelijker zou zijn hem in Oostenrijk te laten begraven dan mee terug te nemen naar Veenhuizen. Mariët, dan tien jaar, wordt woest, beukt met haar vuisten op haar moeders rug, schreeuwt, ‘Dat mogen jullie niet zeggen!’ Over haar ouders, ‘Mijn vader zat ingewikkelder in elkaar dan mijn moeder, zij was nooit zelfzuchtig of onrechtvaardig. Ook voor mij waren onze vakanties hoogtepunten in het jaar, dat zeker, maar bij onze vader, en via hem ook bij onze moeder, zat er iets aan vast wat alleen om heen tweeën draaide.’

Achtergrond familie

Het gaat niet alleen over het gezin waar Meester uit voortkomt, maar ook over haar grootouders, hun achtergrond. Hoe haar moeder en haar zusjes nadat hun moeder is overleden, worden opgevoed door de 'tweede' moeder. Die wilde niet dat ze huilden, ook niet als ze voor straf geslagen werden. ‘deden ze dat wel, dan kregen ze nog meer slaag(...), of werden door hun nieuwe moeder het kolenhok in gejaagd’. Als ze daaraan dacht, haar situatie vergeleek met dat van haar moeder, toen, vond ze dat ze niet mocht zeuren. Ze verbaasde zich erover dat haar moeder schijnbaar zo onbekommerd was gebleven. ‘Waarschijnlijk had dat met Veenhuizen te maken, met de omgeving waarin ze op haar negenentwintigste terecht was gekomen. In Veenhuizen leefde ze in een wereld zonder bejaarden, zonder werklozen. Iedereen met wie mijn moeder te maken kreeg was een braverik, niet alleen de inwoners, ook degenen die in andere plaatsen het kwaad vertegenwoordigden. (...) alsof het Bijbelverhaal werkelijkheid was geworden en in Veenhuizen leeuwen en lammeren toch met elkaar konden samenleven.’

De wereld in Veenhuizen heeft niets gemeen met de wereld daarbuiten. Wanneer ze in Assen het middelbaar onderwijs volgt, is de overgang naar een reguliere wereld schokkend en neemt de eenzaamheid toe. Als er een vriendinnetje uit Assen bij haar thuis komt eten, (eindelijk komt er iemand bij haar op bezoek), maakt ze met haar moeder een macaronisalade met stukjes ham. Het vriendinnetje is vegetariër, haalt de ham eruit. Meester, ‘Ik had nog nooit van vegetariërs gehoord, echt nooit, ik schaamde me rot. Waarom had niemand mij hierover verteld?’ Zo groeit de eenzaamheid aan, niet wetende wat ze met zichzelf moet. Ze creëert een eigen wereld, luistert naar VPRO radio. ‘In kleermakerszit zat ik op de bank in de voorkamer, iedereen in huis was naar bed. De radio stond aan, straks kwam Germaine [Groenier], wekelijks luisterde ik naar haar seksadviezen.’ Ze gaat er eens goed voor liggen op de bank. 'Germaine laste een pauze in alsof we een belangrijk verhaal te horen krijgen, uitgerekend toen vloog de deur van de gang naar de kamer open, (...). Mijn vader stormde binnen "Zet die herrie uit," schreeuwde hij.'

Eruit willen

Uit Koloniekind komt ook een tijdsbeeld naar voren.  De VOS-cursussen (Vrouwen Oriënteren zich in de Samenleving), die in de jaren zeventig in zwang kwamen, werden ook in Veenhuizen in het verenigingsgebouw gegeven. Daarna gaat er een andere wind waaien waar het man/vrouw verhoudingen betreft, scheiden wordt een optie, de samenleving verandert. Mariët Meester schrijft met een luchtige pen waardoor er (vaak op onverwachte plekken) een lach ontstaat. In al haar boeken zit een soort zelfbespiegeling, een luchtigheid die zegt, kom laten we het niet te zwaar maken. Ook in Koloniekind zit lucht en ruimte, maar van deze jonge Meester raak je onder de indruk, de worsteling om aan de benauwdheid van het gevangenisdorp te ontsnappen. ‘Ik wist niets, ik zag niets en ik hoorde niets: in Veenhuizen zat ik in één grote openluchtgevangenis. Ze hadden me hier opgesloten: ik moest eruit!’

In een epiloog beschrijft ze hoe ze in 1977 haar vriend Jaap leerde kennen in Groningen, waar ze studeerde. ‘[ik wist] nog niet dat ik iemand had gevonden met wie ik alleen samen kon zijn, een alleenheid op de rand van kluizenaarschap die zo in me was verankerd dat ik er de rest van mijn leven nooit meer helemaal van af zou kunnen komen. (...) in hem had ik een bondgenoot gevonden, een medereiziger door het bestaan’. Met hem ging ze op reis, kwam ze thuis.

Elke schrijver heeft zijn kernthema dat gewild of ongewild steeds weer opduikt in elk boek dat geschreven wordt. Een autobiografisch boek doet al deze eerdere boeken aan betekenis winnen, ze zullen voortaan anders gelezen worden dan voorheen. Koloniekind is een openhartig geschreven levensverhaal. Nu is er het verlangen naar een vervolg, zoals de reis met paard en wagen bijvoorbeeld, om dat wat in haar boeken vastligt in beweging te brengen.

 

 

Koloniekind / Mariët Meester / 287 blz. / De Arbeiderspers (2022)