Na Rotterdam brachten we mijn jongste zoon naar Utrecht, onderweg meed ik social media, hield de waarheid op afstand. Tussentijds schemerde de dood door mijn gedachten. Veel mensen zijn gestorven, niemand heb ik nog zien sterven.
Soms mailde ik Snijders een reactie op een van zijn stukjes uit de Graslijst. Op het zkv 'Onzin' van 4 november 2018, schreef ik: 'Mooi stukje! Vooral dat, 'Ik ben de schrijver van dit stukje. Meesterlijk!'
Waarop hij terugschreef:
'weet je wat zeer vreemd is, ingrid? vroeger, toen ik literatuur begon te lezen, ik was een jaar of vijftien, vond ik het verschrikkelijk als een schrijver erop zinspeelde dat een verhaal een verhaal was, en hij de schrijver. een verhaal moest ontstaan als een steen, zonder tussenkomst van een mens – dat was m'n heimelijke ideaal. ik wist natuurlijk dat dat onhaalbaar was, maar ik volhardde in de eis dat de schrijver in ieder geval onzichtbaar moest blijven. en nu, een mensenleven later, doe ik wat ik vroeger verfoeide: ik word zelfs een flankerende auteur in mijn eigen verhaal. en dan tenslotte is er iemand zoals jij die dat niet alleen ontdekt, maar ook nog 'meesterlijk' vindt. je hebt een vijftien-jarige jongen gedood, die nota bene al zelfmoord had gepleegd. / goed dat je dat gedaan hebt, trouwens. / hartelijke groeten'
Er is een verhaal dat Snijders als vijftienjarige een verhaal van Jan Hanlo leest over een zielig hondje, waarin Hanlo zich opeens tot de lezer richt met: 'Huilt u al?' Hoe die jongen zich betrapt voelt, het boek kwaad van zich afgooit. (Uit: Ik leef aan de rand van de wereld)
Die fysieke reactie op een manoeuvre van een schrijver: Ik vond het fantastisch.
