Herkansing

Ik sprak een man die door een verhuizing zijn relatie op losse schroeven zag komen te staan. Na vijftien jaar samenwonen, gingen ze latten. Zij was nu op reis, hij zocht een huis in Italië. Hij zei, 'verhuizen brengt veel teweeg'. 'Ja, ja', zei ik.

Tijdens de verhuizing sneuvelde het glas van een lijst en een doos met wijnglazen. Er gingen dingen door mijn handen waarvan ik het bestaan vergeten was. Dozen vol brieven (wanneer ben ik met het schrijven daarvan gestopt?). Ondertussen werk ik aan nieuwe rituelen. Zoek ik naar mezelf in de boeken die ik lees. Aas op een herkansing van wie ik geworden ben. Wil ik coulant zijn, waar nog aan gewerkt moet worden.

Gek, hoe veel van de dingen die ik me herinner niet meer van toepassing zijn. In een nieuw huis komen de verhoudingen anders te liggen. Is er sprake van verschuivende herinneringen, verwaarloosbare herinneringen, herinneringen die zich aanpassen.

'Het heden verandert met zulke kleine stapjes in het verleden dat we ze niet kunnen meten; voor je het weet verandert iets wat er is in iets wat er was en is je leven niet meer hetzelfde als daarnet.', schrijft Rebecca Solnit.

In Tussen heden en morgen van Jenny Erpenbeck veranderen herinneringen van vorm omdat het verleden steeds opnieuw wordt ingedeeld. Als een herkansing om wat niet aan bod kwam alsnog te laten gebeuren.

Er wordt een meisje geborenen dat een paar maanden later sterft. Daar waar het leven stopt, brengt Erpenbeck haar opnieuw tot leven, als ouder zusje van..., als jonge vrouw, als communist. De vroegtijdig gestorven baby groeit op, maakt twee oorlogen, en de val van de muur mee. Van een karakter dat meerdere keren sterft en opnieuw een levend personage wordt leven wordt, keert zich dat na de val van de muur om. Wordt er gesproken over de tijd na dat ze zal sterven. ‘Ook de week waarin ze een dag na haar negentigste verjaardag zal sterven, begint zoals alle andere dagen met het ontbijt om acht uur…’.

En, ‘Ook in de week waarin mevrouw Hoffmann en dag na haar negentigste verjaardag zal sterven, is de tijd een taaie brij, die zich voortsleept en niet voorbij wil gaan, die moet worden doodgeslagen, doorgebracht en uitgezeten.’

Herhalingen die me naar voren doen bewegen. Die een patroon doen vermoeden dat ik nog niet kan zien.

Verhuizen is opnieuw tot leven komen. Toen het nog sneeuwde en de paden bevroren waren, verhuisden we spullen naar de tuin van het nieuwe huis. Tuinbank en tafel, potten, bezems, harken, scheppen, een werkbank. Nu de sneeuw gesmolten is, kon het opruimen beginnen. Ik legde hout bij hout, potten bij potten enzovoort. Het ging me goed af, ik hervond iets aan moed. Kijk, wat lag daar nu in het gras. Een blauw stenen vogeltje. afgebroken van de blauwe keramische waterschaal. Ik riep. 'Oh nee. De waterbak. Het vogeltje. Het is gebroken.' Ik klonk alsof er iemand schuldig aan was.

Soms wil ik gewoon dat iemand schuld heeft aan dat wat mij treft. Dat de dingen die je overkomen te herleiden zijn naar het gedrag van de ander. 'Huil je?, zei de man.

Erpenbeck schrijft hoe de man zijn vrouw verwijt dat hun kind gestorven is. '’s Nachts had hij tegen zijn vrouw geschreeuwd omdat ze het kind wel had opgepakt en geprobeerd had het te kalmeren, maar niet wist wat ze moest doen, omdat ze geen middel tegen de dood wist, maar hij had ook geschreeuwd omdat hij zelf geen middel tegen de dood wist.’

Dat ik alles alsnog kan laten gebeuren.

 

 

Me and my shadow

Iedereen heeft een schaduwkant. Ik had er een schrijfcursus voor nodig om die te ontdekken. Een paar jaar geleden publiceerde Trouw een stuk waarin zes schrijvers een boek aanbevolen om tijdens de kerstvakantie te lezen. Een van hen was Elke Geurts van Ik nog wel van jou. Zij tipte Ontmoeting met je schaduw. Ze had het over ‘de kracht van de onderdrukte kanten van je persoon’. En dat het enige wat je schaduw wil, is gezien worden. Dus kocht ik het boek, volgde het advies van Geurts op en kroop (lekker) onder een dekentje op de bank. Wat nog niet meeviel met een boek van ruim een pond en dat zich moeizaam liet openvouwen. Op blz. 79 las ik, ‘Feedback van anderen is een van de beste methoden om inzicht te krijgen in je persoonlijke schaduw. Hoe ziet iemand anders je?’, en legde het toen even weg.

En opeens kwam ik overal schaduwkanten tegen. De roman Empusion van Olga Tokarczuk opent met een citaat van Fernando Pessoa. ‘Het zonlicht blijft de regisseur van de waarneembare wereld. Het onbekende loert naar ons vanuit de schaduw.’

Empusion wordt de feministische tegenhanger van De toverberg genoemd. Gek genoeg komen er geen vrouwen in voor. Ja, aan het begin, de kokkin,maar die ligt op bladzijde 39 al dood op tafel in de eetzaal. Een tweede vrouw beweegt zich als een soort belofte door het boek, ongrijpbaar. De roman wordt bevolkt door aan tuberculose lijdende mannen en hun verzorgers die in 1913 in een kuuroord in Görbersdorf verblijven. Deze mannen vinden vrouwen van een ondergeschoven soort en dat het vrouwenlichaam niet de vrouw toebehoort, maar de mensheid. Als er een literaire kritiek van een vrouw in de krant verschijnt, zeggen ze: ‘Dus ook hier willen de suffragettes iets te vertellen hebben. Dit is werkelijk grotesk.’ Hun opinie is, vrouwen schrijven niet ‘en als ze al schrijven dan lezen wij dat niet.’

Wat wilde Tokarczuk met al die vrouw miskennende opmerkingen? Dan, achterin het boek staat onder ‘Aantekeningen van de auteur’ dat alle misogyne opvattingen afkomstig zijn van beroemde auteurs als Joseph Conrad, Sigmond Freud, Jack Kerouac, Ezra Pound, Sartre, Yeats, Strindberg enzovoorts. Ja, dan is het opeens klip en klaar dat dit een feministische roman is.

Tokarczuk schrijft ergens: ‘Volgens ons is juist dat wat in de schaduw blijft, dat wat aan het oog onttrokken wordt, het interessantst.’ Het is of ik de docent van de cursus Schaduwschrijven hoor praten. Na de kennismaking met Ontmoeting met je schaduw, ging ik drie zondagmiddagen naar de Haarlemmerdijk in Amsterdam. Op de eerste cursusdag riep ik voor ik naar de trein vertrok en in een poging beslagen te ijs te komen, naar de man of hij mijn schaduwkant kende. ‘O ja’, zei hij. ‘Dat jij alles altijd van de positieve kant ziet, dat alles zomaar kan.’  O jee, doelde hij hier nu op onze verhuisplannen, de (confronterende) discussie die we de dag daarvoor er nog over voerden? Ik riep direct, terwijl ik mijn tas pakte, dat dat niet telde. Dat hij dat niet mocht gebruiken. Dat was natuurlijk wel een vet schaduw dingetje dat ik daar van onverdroten van tafel veegde.

En dat ik eens het werk van de Zweedse kunstenares Mamma Andersson zag. Zij maakt schaduwen zichtbaar. Zag ik opeens een vorm van mijzelf.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

'Alter ego' - Mamma Anderson

 

 

 

Sneeuwval en iets zinnigs

Sinds ik verhuisd ben, lijkt er iets losgeslagen te zijn. Amerika viel Venezuela binnen, Groenland is de volgende op het annexatielijstje van de man die Amerika dus op deze manier groot wil maken. En dan die sneeuw, alle dagen, en de kou. Zijn het de kloppende en bonkende leidingen die door alle vertrekken bovenlangs het plafond van het appartement lopen, de winterse buien, de niet werkende verwarming dat ik steeds aan Sylvia Plath moet denken?

Dat ik me opeens kan voorstellen hoe een koude keuken, klam beddengoed, snotterende kinderen op je gemoed werken. Dat je roept, geef me nog een deken, maar er niemand is om je die aan te reiken. Hoe Plath zich gevoeld moet hebben. Al raakt de kou (-4) van nu bij lange na niet aan de kou (-20) waarin zij was terechtgekomen. Een periode die als de Big Freeze (1962-1963) de geschiedenis inging.

Op 4 februari 1963 schreef Plath aan haar moeder in Amerika, ‘I shall simple have to fight it out on my own over here… The children need me most right now, and so I shall try to go on for the next few years writing mornings, being with them afternoons and seeing friends or studying and reading evenings.’ Zeven dagen later beëindigt ze haar leven nadat ze eerst haar kinderen in hun bedjes de tot de verbeelding sprekende beker warme melk bracht, ze een extra trui aantrok. Haar roman The bell jar was net gepubliceerd. Maar er was zoveel meer.

Dat ik nogal wat kwijtraak deze dagen. Eerst mijn polshorloge. Juist nu er veel te lopen was met dozen en huisraad kon ik mijn stappen niet bijhouden. Er was wel meer dat ik niet bij kon houden. Hoe een verhuizing van overzichtelijk naar chaos verwerd. Ik had het niet in de gaten. Er raakte een zak met kleding kwijt. Ik vreesde dat deze bij de kringloop was terecht gekomen. Ook was mijn bril onvindbaar. Achtergelaten bij oudste zoon waar ik even binnenwipte omdat dat nu kan. Hij zei nog, je moet wel je hoofd erbij houden hoor. Toen werd mijn fiets gestolen. Ik was met de oudste en jongste dochter aan het het lunchen in de stad (ook omdat dat nu kan). Ik stalde de fiets bij het café, later was ie weg. Ik dacht, hoe vertel ik het mijn zus? Het was haar fiets.

Wie zei toch, wie wat verliest raakt zichzelf kwijt (of was ik dit zelf)?

Waar ik ook steeds aan denken moest. Aan een van de oudste en belangrijkste dichters van Nederland (in De prullenmand heeft veel plezier aan mij is een interview met hem opgenomen). Deze dichter was vorig zomer uitgenodigd voor een optreden bij Poetry International. Hij zat naast me tijdens een gedichtenavond in de kelder van filmtheater Luxor in Zutphen. Hij vertelde hoe hij zich verheugd had in Rotterdam dichters te ontmoeten die hij jaren niet gesproken had. Zijn stemgeluid, gonzend, vol, mooi articulerend, verborg vooralsnog het drama van de ouderdom. Toen vertelde hij dat hij het benauwd kreeg. Omwille van de reis. Dus cancelde hij zijn komst. Ter plekke zag ik me als zijn chauffeur die hem door het hele land naar optredens zou rijden. Me voedend met snufjes poëtische rijkdom die onderweg uit onze kleine gesprekjes zouden opstijgen. Maar ik had geen rijbewijs.

In het interview in De prullenmand, laat de dichter aan het eind van het gesprek aan Thomas Heerma van Voss weten dat hij het spannend vond geïnterviewd te worden, 'ik weet niet of ik iets zinnigs heb gezegd.'

En dan: hoe ik dingen die gedaan moeten worden kan vereenvoudigen zonder zicht te hebben op de uitvoering daarvan. De man heeft daar wel eens last van. Kom maar eens kijken zegt hij dan. Alsof ik niet weet hoeveel werk er steekt in een huis opleveren, het verwijderen van ons leven daar. Als ik eerlijk ben, weet ik dat ook niet.

Een dag later zit ik dan toch in het raamkozijn van het huis dat ons huis niet meer is. Ik ben er om de voetstappen van degenen die het grove werk doen te verwijderen. Het schoonvegen van het aanrecht, plamuurresten, het uitspoelen van verfkwasten die in de gootsteen zijn achtergelaten. Kom maar, ik doe het wel. En dan koffie zetten. En oh, broodjes halen bij de Aldi. Daar ga ik, stevig stappend door sneeuw over een krakende ondergrond. Laat mij maar doen. En ook, ‘I shall simple have to fight it out’. Alles om dichter bij de kern van het leven te komen.

 

Iets om in te pakken

In het dorp is in een pand waar eerst een bouwwinkel zat en toen die weg was, kwam er een kringloopwinkel. Het was er opeens, en alles stond er gelijk vol met spullen. Langs de wanden waren de schappen met serviesgoed. In het midden van de winkel stonden kasten, eettafels en stoelen, salontafels en fauteuils. Achterin de bedden en het witgoed. De man die de kringloopwinkel zo snel en overzichtelijk inrichtte, komt uit voormalig Joegoslavië. Hij spreekt Nederlands, maar gebruikt geen lidwoorden. Ik zocht vier portglaasjes. Er kwamen vrienden op bezoek, we wilden ze een goed glas port schenken. Er stonden vier glaasjes van geslepen glas, Ik zag me er wel port in schenken en nam ze mee. Omdat de boekenhoek daar een schamele vertoning is, liep ik gelijk door naar de kassa. Voor me waren twee jonge vrouwen, meisjes nog, die een grote hoeveelheid aan serviesgoed afrekenden. Er stak een zekere naïviteit in hun optreden.

Ze vroegen de man van de winkel of hij de spullen die ze op de toonbank hadden uitgestald, wilde inpakken. Toen begon een van de meisjes, die met de weelderige en donkere krullen, een praatje met hem. Ze vroeg of hij van hier was. En hoelang hij al in deze winkel werkte. De man van de winkel, die ik nooit meer had horen zeggen dan, 'astublieft, dankuwel' en 'totzien', trok een paar vellen papier vanonder de toonbank tevoorschijn. Wikkelde die om een glazen schaaltje, zei dat deze winkel al drieëntwintig jaar zijn winkel is. De jonge dames trokken hun wenkbrauwen op, sperden hun ogen wijdopen.

Aangemoedigd door die ogen vertelde de man verder. Hij was met de winkel begonnen in een plaatsje dicht bij de Duitse grens. Daar had hij altijd meer verkocht dan hier, in dit dorp op de Veluwe. 'Duitsche menschen sijn andéré menschen', legde hij uit. De jonge dames, meisjes nog, wikkelden enkele glazen in papier. Ondertussen was de man van de winkel bij zijn dochter aangekomen. Die had een baby gekregen. Dat hij nu opa was. Hij lachte er bij, mededeelzaam. Er was een foto van hem met de baby met plakband aan de kassa bevestigd. Hij keek ernaar, maar de meisjes volgden zijn blik niet. Een van hen, de kleinste, schoof hem een vaas toe. Of hij die ook wilde inpakken. En of hij ook tasjes had. 

De man van de winkel die nooit tasjes heeft om spullen in mee te geven, toverde meerdere tasjes tevoorschijn, wilde zijn verhaal vervolgen. Op zijn gezicht de uitdrukking van iemand die opleeft bij een luisterend gehoor, niet meer stoppen kan met vertellen. Maar hij misrekende zich.

De meisjes waren met elkaar in gesprek. Of de drie kandelaars, die door de man van de winkel omwikkeld waren met papier, in de ook gekochte soeppan pasten. Ze legden de kandelaars in de pan. Het paste. Toen deden ze de pan in een van de tasje. Waarna ze opgewonden pratend de winkel uitliepen zonder de man te groeten. Hij zag eruit alsof hij iets verspeeld had maar niet wist wat.

Ik schoof voorzichtig, er was hier iets verbroken, mijn vier portglaasjes over de toonbank richting man van de winkel, legde er vier euro bij. Hij pakte het geld van de toonbank, keerde zich naar een man achter hem die een autoradio wilde uitproberen. Ze hadden het over bereikbaarheid, koperdraad die de ontvangst versterkt, en dat een klap op het apparaat ook wel wil helpen. Ik keek naar de vier glaasjes op de toonbank, wachtte op een laatste beetje klantvriendelijkheid de man. Vroeg of hij iets had om de glaasjes mee in te pakken. De man van de winkel legde een krant op de toonbank. Eigenlijk smeet hij die krant erop. Ik keek naar de rug van de man terwijl ik er wat bladen uitscheurde. Wikkelde die om de glaasjes. Het werd een onhandig pakketje dat ik met beide handen de winkel uitdroeg. Dacht aan ontvangst, bereikbaarheid, 'ergens een klap op geven' en het dan weer doen.

 

 

 

Novemberschrijver

Het zijn gedenkwaardige dagen, weemoedige ook. Carole King zingt, ‘So far away'. Daar komen de tranen al. Dat vloeiend verlangen naar toen alles nog te gebeuren stond. Naar dat eerste huis waar het 'samen' begon, op een stuk opgehoogde aarde in een buurtschap langs de IJssel. Waar we toen woonden. 'Doesn't anybody stay in one place anymore’.

En toen we Nederland verlieten. De jaren in Portugal, waarvan ik me herinner dat in november het gemis, van alles wat was achtergebleven, het sterkst was. 'It would be so fine to see your face at my door'.

Portugees novemberlicht, het vallen van alles. Regen ook, onbarmhartige regen, waar je woest doorheen ging.

Meer dan vijfendertig jaar geleden viel op een novemberdag de Berlijnse muur. Berlijn, een stad die volgens Cees Nooteboom ooit een beroerte heeft gehad. Nooteboom, in alles een novemberschrijver. Ik moest dringend op zoek naar zijn boek Allerzielen. Het staat niet bij de N, wie heeft het, waar is het. Ah, daar, tussen Alice Munro en Herta Müller. Dit boek is voedsel voor een weemoedige geest.

Protagonist Arthur Daane maakt in de jaren negentig wandelingen door Berlijn, begeleid door stemmen uit het verleden, ‘het moeras van de voorbije tijd’ genoemd. Wat je liever negeert omdat dingen die voorbij zijn niemand interesseert, omgeslagen bladzijden. Alsof je met je ziel te koop loopt en geen hond het wil hebben. ‘Dat bestaat,' schrijft Nooteboom, 'jaren waarin de gebeurtenissen voortrazen, waarin bladzijde 395 op bladzijde 398 allang vergeten is, en de werkelijkheid van een paar jaar eerder belachelijk dan dramatisch lijkt.’

Daane loopt door donkere en stille straten die van zo'n naargeestigheid zijn dat berusting op de loer licht. Daane is een voormalig cameraman die over de hele wereld interviews en de gevolgen van gruweldaden heeft gefilmd. Hij loopt door Berlijn met een verlichte geest, Berlijn als middelpunt van de geschiedenis. De sneeuw waait in zijn gezicht, ongezien loop ik mee, voel de kou van een straffe wind die ook de sneeuw aan mijn gezicht doet kleven.

Terwijl hij de kraag van zijn jas nog eens optrekt, hoort hij de hulproep van een heilsoldate. Ze zit gehurkt bij een door kou bevangen zwerver. Ik zie het. Er moet een ambulance gebeld worden. Een paar straten verder, in de Otto-Suhr-Allee zit een oude vrouw in een glazen bushokje. Ze zwaait naar hem, of nee, het is meer een dwingend wenken. 'Ze was oeroud, misschien wel negentig. Hoorde binnen te zitten met dit weer. Negentig, stel je voor dat het echt waar was.'

Daane denkt aan een eventuele echtgenoot, of die echtgenoot gevallen is aan het Oostfront. Of deze nu oude vrouw heeft mee gejubeld, of juist niet, tijdens toespraken van Goebbels in het 'Sportpalast'. Of was haar huis verpletterd door een bom uit Lancaster. 'Niets wist je van mensen, behalve dan dat zij toen een jaar of veertig geweest moest zijn.' Met een 'hoge commandostem' vraagt de vrouw: 'Glauben Sie, dass noch ein Bus kommt?' Hij denkt van niet. Hij brengt haar naar de ondergrondse en gaat verder.

Allerzielen is een verslag van onvermijdelijke gedachten in een naoorlogs leven. Nooteboom begon eraan te schrijven toen hij in Los Angelos verbleef, lees ik in een schrijversportret (waarbij ik me in de nabijheid van de schrijver waan) waarin hij terugkijkt op zijn leven. 'O ja, denk ik dan, we hebben een tijdje in Parijs gewoond, in Berlijn, in Los Angelos bij het Getty.' Waar hij dus aan Allerzielen begon te schrijven. Dat het allemaal gebeurd is. En dat er vandaag hagel wordt verwacht. Dat moet er nog bij, om mijn weemoedigheid te rechtvaardigen.

 

 

Citaat uit: De prullenman heeft veel plezier aan mij beleefd / Thomas Heerma van Voss / Das Mag

 

 

Neem me mee, lees me

Ik denk aan Tove Ditlevsen die in het geheim aan haar eerste roman schreef. Daarna schrijft ze verder, verhalen vooral, ‘het gordijn tussen mij en de werkelijkheid is weer dik en geeft me een gevoel van geborgenheid.’ Vanaf haar twaalfde schreef ze gedichten, droomde ervan een boek te zijn dat door anderen meegenomen zou worden, gelezen worden. Is dromen het begin van succes?

Ditlevsens kwam uit een armoedig gezin, wilde al jong schrijven, maar verlangde ook naar een gewoon leven. Als haar eerste kind geboren is, zegt ze tegen haar eerste man, ‘Nu zijn we vader, moeder en kind, een doodgewoon normaal gezin.’ Hij vraagt waarom ze dit zegt, want ze is bepaald niet normaal. ‘Daar kan ik hem geen antwoord op geven, maar dit wens ik al zo lang als ik me kan herinneren.’ Daar schuurt het. Schrijver zijn en huisje-boompje-beestje gaat niet goed samen.

Op de cover van het boek Het moeder model van Joke de Wolf staat de naakte beeltenis van een zwangere vrouw. Het is een zelfportret van de kunstenares Paula Modersohn-Becker. Haar verhaal komt verder niet in het boek voor, maar De Wolf vertelde tijdens het literaire evenement Boekfest, dat Modersohn-Becker zichzelf zwanger schilderde, maar het niet was, het ook niet wilde. Omdat ze wist dat ze dan voor de kunsten verloren zou zijn. Toch werd ze niet veel later zwanger, kreeg een kind, overleed kort na de bevalling aan een bloedstolsel in haar hoofd. Hoe wrang het leven. Tove Ditlevsen kiest ervoor te schrijven. Ze ondergaat tweemaal een abortus, trouwt vier keer (de wanhoop en de juiste keuze) en krijgt drie kinderen terwijl het verlangen naar onafhankelijkheid overheerst.

Haar boeken zijn verslavend, ze schrijft in strakgetrokken, betekenisvolle zinnen. Ze schrijft, ‘Edvin [haar broer] is bij zijn vrouw weg. Nu woont hij weer thuis in mijn oude kamer achter het gordijn en mijn moeder is gelukkig, al zal hij verhuizen zodra hij een kamer heeft gevonden. Mijn moeder zegt dat ze best begrijpt waarom hij bij Grete weg is, want ze dacht alleen maar aan kleren en flauwekul en dat houdt geen man  vol. Maar mijn broer pikt het niet dat Grete zo wordt afgekamd. Hij zegt dat de fout bij hem ligt. Hij hield niet van haar en daar kon zij niets aan doen. (...) Ik vind het een stuk prettiger om bij mijn ouders langs te gaan nu mijn broer er weer woont. We praten over mijn poëziebundel en Edvin kan maar niet begrijpen dat je met zoiets geen geld verdient. ‘Het is werk’, zegt hij, ‘en het is ronduit schandalig dat je er niet voor wordt betaald.’ We praten ook over Edvins gehoest en over alle nieuwe ziekten van mijn moeder.’

Leven van pen en papier, een boek publiceren betekent geluk. Ditlevsen verhalen ontstaan in het verborgene (ik wens me een gesloten kamer). Haar taal gruwelijk mooi die recht je hart in gaat. Zoals de pijl van de legendarische kruisboogschutter Wilhelm Tell de appel op het hoofd van zijn zoontje doorboort.

Als ze door haar derde man, die arts is, verslaafd raakt aan verdovende middelen, wordt ze meerdere keren opgenomen in psychiatrische klinieken. Daar schreef ze Kindertijd en Jeugd, boeken waar ze later beroemd mee werd. Om te schrijven moet je niet al te gelukkig zijn, anders wordt het niks, schrijft ze aan het eind van Jeugd. 'Misschien zal een kind dat heel stiekem van poëzie houdt deze gedichten lezen en er iets bij voelen wat haar omgeving niet begrijpt.', zo droomde Ditlevsen.

Haar huwelijken liepen allemaal spaak. En dat dit alles, de verlaten kinderen en dergelijke, op rekening van de vrouw kwam. Op achtenvijftigjarige leeftijd maakte ze een einde aan haar leven. Lees haar boeken. Dat is wat ze wenste, gelezen worden.

 

 

Het moeder model, over kunst, vrouwen en moederschap
Joke de Wolf
Atlas Contact (2025)


Deze column verscheen eerder op Literair Nederland (april 2022), en werd bijgewerkt op 30/09/'25.

Een schrijver die doet

Er is een schrijver in wiens voetsporen ik, gewapend met potlood en papier, zou willen treden. En dan dagelijks die binnenwereld beschrijven, al die gedachten, gevoelens, de verbanden. En wat er toe doet. Schrijven als Jeroen Brouwers (1940-2022), zoals hij schreef toen hij in zijn Krekelbos huisje, 'tussen opdringerig groen' in een Belgisch dennenbos woonde.
Met, wat zijn laatste boek zou blijken te zijn, Client E. Busken won Brouwers in 2021 de Libris Literatuur Prijs. Voorafgaand aan de prijsuitreiking zei hij tegen een journalist, 'Ik ben met emeritaat'. De prijs een waardige afsluiting van een intense schrijverscarrière.

Een interviewer wil altijd weten of er een volgend boek komt, of wat de schrijver drijft om te schrijven. De schrijver zegt, ik weet het niet, we zien wel. Of zoals Jeroen Brouwers in dat interview rond de uitreiking van de Libris Literatuurprijs zei, ‘Hier is mijn oeuvre en je moet het er maar mee doen’. Dan wil de interviewer weten, ‘Ja, maar een schrijver die wil toch schrijven, die heeft toch een innerlijke noodzaak?’ En Brouwers, de tachtig gepasseerd, zegt er ‘geen zin meer’ in te hebben, dat het ‘mooi geweest’ is. Dat die hele innerlijke noodzaak, die stuwende drijfkracht, tot rust is gekomen. Dat was de schrijver aan te zien. Ik dacht altijd al, het is geen doen. Steeds weer een boek schrijven, al die drank die er toe leiden moet. En alles met de hand hè, met potlood, in schriftjes, op elk godvergeten losliggend snippertje papier. Ach, dacht ik, deze schrijver is een vakman. Die moet je niet vragen hoe hij het doet, waarom en waarvoor; die doet.

Nadat in 1981 Bezonken rood verschenen was, begon Brouwers aan De zondvloed te werken, het begon met aantekeningen (op losse blaadjes, in schriftjes, neem ik aan). In 1988 was het boek klaar, tussendoor schreef hij aan Winterlicht, dat in 1984 verscheen. Over de nadagen van een schrijver, Jacob Voorlandt. Op afstand deed Voorlandt me denken aan de oude schrijver Lonoff, uit Ghostwriter van Philip Roth. Het is wat je leest waartussen de verbindingen ontstaan.

In 1983 schrijft Brouwers in Het is niets, dat zijn huwelijk op orde is. Wel wordt de schrijver gekweld door verlangens, als was hij een trillend schoolmeisje in vroegere dagen, ‘altijd, altijd ogenblikkelijk verliefd op iedere vrouw die toevallig mijn pad dwarst.’ En ja, als je eenmaal Brouwers leest, teruggaat in al die boeken, brievenboeken, zelfmoordboeken, dan spreekt een groots binnenhuis leven, gedreven door de wil te schrijven. Daarbij de drank, slapeloze nachten, verbroken relaties, en immer, immer dat smachten. Ook als het leven goed was, hunkerde hij.

De zondvloed is zijn kernboek. Over de getergde schrijver, die zijn vrouw en kinderen verliet, door zijn nieuwe geliefde in de steek gelaten, trekt hij zich terug in een dennenbos. In een huis dat kraakt en piept, dozen vol jenever. Conversaties met de telefoon (geweldige passages). Lege flessen gooit hij uit het raam. ‘Om mij heen was die immense stilte van het bos dat allengs vol lege flessen kwam te liggen’.

De schrijver denkt aan zijn verramsjte boeken, denkt aan de dood. Maar hij leeft, is zich de dingen scherp bewust, schrijft in schriftjes. ‘Er werd klaarblijkelijk nog iets van mij verwacht: – misschien moesten er in de toekomst toch nog dingen door mij worden geschreven die niemand anders dan ik zou kunnen schrijven, of willen schrijven, of kunnen schrijven…’.
Die toekomst is bereikt, meer dan zestig boeken. Niet meer schrijven is een keuze. ‘Naarmate de schrijver schrijft, gumt hij zichzelf uit.’, schrijft Brouwers in de jaren tachtig. De schrijver heeft zichzelf uitgegumd. Hij bestaat enkel nog in zijn boeken, dus hup, lezen, heel dat oeuvre. Dan spreken we verder, over verbanden enzo.

 

 

Mijn eerste Fay Weldon

Op 4 januari 2023 overleed op eenennegentig jarige leeftijd de Britse schrijfster Fay Weldon. Ze schreef meer dan dertig romans en enkele autobiografische boeken. Nadat ik  midden jaren tachtig gescheiden was van de man waar ik later weer mee trouwde (echt gebeurd), las ik voor het eerst iets van haar. Ik betrok een ruime kamer boven een bakkerij  in het centrum van Deventer. Ik herinner me een zaterdagmiddag in november. Het miezerde en af en toe stortregende het. Uit grote besluiteloosheid, waar ik toen ook al aan leed, trok ik alle meubels uit hun opstelling en probeerde ze opnieuw te formeren. Wat net als het formeren van een goed kabinet, een haast ondoenlijke zaak bleek. Vloerkleed diagonaal leggen of toch in het midden van de kamer? Bank voor het raam met het Frans balkon of tegen de binnenmuur/zijmuur? Alles eindigde midden in de kamer, daaromheen de leegte. In die opgebroken toestand begon ik in Praxis van Fay Weldon.

In koel, beschouwelijk proza schrijft Weldon over Lucy, moeder van twee dochters, Praxis en Hypatia. Het verhaal begint met fotobeelden bekeken door Praxis als oudere vrouw. In haar herinneringen was er veel heimelijk gedrag, gekonkel over dit en dat. Gedachten over haar moeder (of ze nu wel of niet met de man die tijdelijk bij hen inwoonde naar bed ging). Praxis wist: ‘Moeder zou het ontkend en in die ontkenning geloofd hebben, of ze het nu wel of niet had gedaan. In een tijd dat de instincten van de vrouw op zo gespannen voet verkeerden met de regels van de samenleving kon je dergelijke gelokaliseerde amnesieën alleen maar verwachten.’ Wat een geweldige vergoelijking was om te mogen liegen over dingen die niet geaccepteerd werden.

De moeder eindigt in het gesticht als haar dochters veertien en zeventien zijn. Als Praxis haar bezoekt, krijst de moeder net zo lang tot ze weer weggaat. Weldon etaleert verschillende theorieën over relaties tussen ouders en hun kinderen, die ik toen niet zo gezien had. Haar herinneringen spelen Praxis parten. ‘De herinnering aan het diepbedroefde kind dat je was; het besef van fouten, niet goedgemaakt, en wonden, niet geheeld, de verscheurende pijn van een verleden waaraan niets kan worden verandert.’ Dat er niets veranderd kan worden, is van een intense droefheid. Evenals haar moeder verstek liet gaan, zo lukt het ook Praxis niet haar kinderen een veilige haven te bieden. Want:

‘Kinderen die gekwetst zijn groeien op om te kwetsen. Dit weet ik. Ik wist het, maar toch was ik hulpeloos. Ik krijste en schreeuwde, probeerde te moorden of veinsde zelfmoord, in bijzijn van mijn kinderen; beoefende de duistere zijde van mijn erotische natuur onder hun verbijsterde blik, onverschillig voor de afgrond die ik open sloeg onder hun voeten. Ik, die hen behoedde voor de vlooien van vreemde honden, en akelige tonelen in de bioscoop, en die hun haar borstelde met liefdevolle zorg. Ja, dat deed ik, en jij deed dat, en jij ook: betaalde hen terug met wat moeder jou aandeed.’

Daar schrok ik van, als moeder zijnde. En ja, dit was Fay Weldon ten voeten uit. Praxis werd genomineerd voor de Booker Prize maar kreeg hem niet. Dat is jammer want het is een boek dat bij iedere herlezing iets nieuws vrijgeeft. En dat zegt wat.

 

(Deze column verscheen eerder op Literair Nederland)

De schrijver is er altijd

Toen A.L. Snijders overleed (7 juni 2021) bevond ik me midden in een op handen zijnd overlijden van de broer net boven mij. Die van de stille wateren, diepe gronden, waar altijd wat mee te lachen viel, binnenpretjes, breeduit lachend, glimlachend. Jongste broer en ik waren met twee van onze kinderen op de terugweg na een bezoek aan de zieke broer. Brachten zijn zoon naar huis in Rotterdam, dronken koffie toen mijn mobiel oplichtte. ‘A.L. Snijders is overleden’, berichtte mijn jongste dochter. Impulsief drukte ik het weg, ruimte creërend voor het toekomstige sterven van de een, de dood van de ander uitstellend.

Na Rotterdam brachten we mijn jongste zoon naar Utrecht, onderweg meed ik social media, hield de waarheid op afstand. Tussentijds schemerde de dood door mijn gedachten. Veel mensen zijn gestorven, niemand heb ik nog zien sterven.

Soms mailde ik Snijders een reactie op een van zijn stukjes uit de Graslijst. Op het zkv 'Onzin' van 4 november 2018, schreef ik: 'Mooi stukje! Vooral dat, 'Ik ben de schrijver van dit stukje. Meesterlijk!'

Waarop hij terugschreef:

'weet je wat zeer vreemd is, ingrid? vroeger, toen ik literatuur begon te lezen, ik was een jaar of vijftien, vond ik het verschrikkelijk als een schrijver erop zinspeelde dat een verhaal een verhaal was, en hij de schrijver. een verhaal moest ontstaan als een steen, zonder  tussenkomst van een mens – dat was m'n heimelijke ideaal. ik wist natuurlijk dat dat onhaalbaar was, maar ik volhardde in de eis dat de schrijver in ieder geval onzichtbaar moest blijven. en nu, een mensenleven later, doe ik wat ik vroeger verfoeide: ik word zelfs een flankerende auteur in mijn eigen verhaal. en dan tenslotte is er iemand zoals jij die dat niet alleen ontdekt, maar ook nog 'meesterlijk' vindt. je hebt een vijftien-jarige jongen gedood, die nota bene al zelfmoord had gepleegd. / goed dat je dat gedaan hebt, trouwens. / hartelijke groeten'

Er is een verhaal dat Snijders als vijftienjarige een verhaal van Jan Hanlo leest over een zielig hondje, waarin Hanlo  zich opeens tot de lezer richt met: 'Huilt u al?' Hoe die jongen zich betrapt voelt, het boek kwaad van zich afgooit. (Uit: Ik leef aan de rand van de wereld)
Die fysieke reactie op een manoeuvre van een schrijver: Ik vond het fantastisch.

Die avond thuis pakte ik de laatst uitgegeven bundel zkv’s van Snijders. Op 28 mei 2019 schrijft hij, 'Mijn vriendin kent me niet, want het is acht dagen geleden dat we elkaar voor het eerst ontmoetten. We staan te wachten op het station van Deventer, ze neemt de trein die regelrecht naar haar woonplaats Amsterdam rijdt, ze hoeft niet over te stappen. Het wachten heeft een betekenis die los van alles is en zonder meer doet denken aan een warm bed.’ Daar was een aanzet tot een nieuw leven.

We mailden gedurende een jaar regelmatig met elkaar. Kleine berichtjes over de somberheid die hem na het overlijden van zijn vrouw, Yvonne, zomaar overviel. Over voorgeschreven slaappillen, de wodka’s die gedronken moesten worden. Toen hij schreef dat ik nu wel erg belangrijk voor hem werd, voerde ik per omgaande mijn man op in de mail. Ik ben een angsthaas.

Kort daarop maakten we een afspraak voor een interview.

Op die Pinksterdag in 2019 vertelde hij, Peter Müller hoe grijs en traag zijn leven was geworden. Dat de kwalen die hij kreeg volgens de huisarts te maken hadden met het verlies van zijn vrouw. Wat hij een wonderlijke samenvoeging van gebeurtenissen vond. ‘Maar toen leerde ik deze dame kennen’, zei hij, naar buiten wijzend waar een vrouw naast zijn jongste dochter op een bankje zat. ‘Sinds een maand ben ik weer verloofd, jij bent nu getuige van mijn nieuwe leven. Drie jaar geleden is haar man overleden, en een paar maanden geleden hebben wij elkaar gevonden.’ Er was een kiertje opengegaan met zicht op een leven van minder schrijven, meer leven.

Over de houdbaarheid van literatuur en schrijvers zei hij, ‘Wat mij opvalt is dat schrijvers zo gauw ze dood zijn helemaal weg zijn. Vestdijk wordt niet meer gelezen, terwijl dat een fantastisch schrijver is. Dat lijkt ook alleen maar in Nederland te gebeuren, het onderwijs helpt daar natuurlijk ook niet aan mee. In Frankrijk kun je jong en oud nog een boek van Flaubert in de metro zien lezen.’

De schrijver is dood, maar weet dat ik altijd een bundel van A.L. Snijders zal openslaan in trein en metro, in hotelkamers en langs de oever van een rivier. Deze schrijver blijft.

 

 

Lees ook: Interview met A.L. Snijders/Peter Müller

 

Iets over de zee en het einde

Ik sta voor het keukenraam en kijk de straat in. De zon schijnt, de straat is lang. Een man en vrouw lopen richting parkeerplaats. De man draagt slippers en een bierkrat met lege flessen. Hij loopt alsof hij zich een weg baant door een berg dorre bladeren, links - rechts uithalend met zijn voeten. De vrouw is klein maar stevig. Let wel, dit is geen oordeel. Ze verplaatst haar voeten met beduidend meer inspanning. Aan haar linkerhand wappert bij iedere stap een verfomfaaide gele plastic boodschappentas. Ik ga iets van het raam afstaan zodat ze niet zien hoe ik hun nastaar. Al lijken me het geen mensen die achterom kijken.

Arnon Grunberg had het in een voetnoot eens over het mysterie van de mens, wat ik noteerde. Volgens hem houden we zoveel van onszelf dat we het zicht op de ander verliezen. Tenminste, ik geloof dat hij dat ermee wilde zeggen. Het was in het jaar dat het kabinet bijna viel over de bed, bad en brood regeling. Nu struikelen we al maanden over een minister die mensen behandelt als ongehoorzame kinderen die gestraft moeten worden. De dood of je leven, meer keuzes zijn er niet.

En dan de zee. Als ik aan de vloedlijn sta, wil ik erin, golven trotseren, spelen met de stroming. Nooit zag ik wankele bootjes in nood, iemand aangespoeld. En al die vissen, mosselen, garnalen, kreeften, gevoed met hetzelfde water waarin duizenden mensen verdronken, je ziet het niet. Dat de bodem van de Middellandse zee een massagraf is. En dat je soms ook nergens aan wilt denken, maar geen vis meer eet.

Dus observeer ik met enige bewondering die kleine vrouw met haar plastic boodschappentas. Dat ze haar zaken op orde heeft, wist waar ze die tas vandaan moest halen. Dat ze zei, ‘We gaan boodschappen doen.' En de man het bierkrat met lege flessen pakte, zij uit de gangkast een plastic boodschappentas haalde. Zelf weet ik nooit wanneer ik boodschappen zal doen, nooit een tas voorhanden.

Dan stel ik me voor dat ik nu het raam open doe, ze iets naroep. Iets over de zee, dat de zee het einde is. Hoe vertel je dat er een groter belang is.

Vonne van der Meer begint een van haar verhalen zo: 'Een sterk verhaal was wat ik nodig had. Sterke verhalen hadden me al eerder een dienst bewezen, meestal werd ik op mijn woord geloofd.' Lees haar bundel Aan haar lippen. Haar wijze van observeren is menselijk beschamend. 'Ze droeg korte sokjes, ook wit, waardoor haar blote benen nog bruiner leken. Mijn blik gleed omhoog van haar non-descripte instappers naar een kuitlange overhemdjurk van spijkerstof, een driekwart regenjas, ook grijsblauw. Het paste bij elkaar, het was heel en schoon maar daar was dan ook alles mee gezegd. Zij was het niet, zijn weekendmeisje, uitgesloten, daarvoor kende ik Hans te goed.' Het dient ergens toe, observeren. Al was het alleen maar om jezelf te leren kennen.

Ondertussen helt de man meer achterover, lijkt het krat zwaarder, slaan zijn voeten verder uit. Kijk, nu zegt hij iets tegen de vrouw. Raakt daardoor uit zijn koers, botst bijna tegen haar aan. Zijn rechtervoet vangt nu een voetbal uit onverwachte hoek. Hola, hola, dan herstelt hij zich. Zij geeft hem een por. Nu lachen ze beiden. Wat ik nu pas zie, is dat ze zich ergens op lijken te verheugen. Ja, er is een duidelijk verheugen. De man opent de achterklep van een blauwe auto, zet het kratje erin. Hij houdt de klep omhoog, de vrouw legt haar lege boodschappentas erbij. De klep wordt gesloten en man en vrouw verdwijnen ieder naar hun eigen instapzijde in een perfect uitgevoerde choreografie. Autoportieren klappen synchroon dicht.

Ik noteerde: 'Een miljoen lijken in zee doet de zalm er niet minder om smaken, concludeerde Grunberg. "Dat wij desondanks zo ontzettend veel van onszelf houden is een mysterie. Of zelfverdwazing. Of overlevingsinstinct."' Ik staar de lege straat in, denk brood, bad, bed. In die volgorde.

Waar ik ook elk jaar stil van word, is het grote aantal platgereden padden die, als vielen ze van grote hoogte te pletter, het wegdek bedekken. Dat het dan weer lente is.