Zeg weet je

Ik las dat otters elkaars poot vastpakken om elkaar niet kwijt te raken. In de dierentuin van Lissabon zag ik voor het eerst een otter van nabij. Vanaf een brug zag ik een vrouwtjesotter drijven op haar rug met op haar buik haar pasgeboren jong. We zeiden 'ach, en och, en kijk toch eens' vanaf die brug. Nu blijken ze ook nog 'elkaars hand vast te houden' om niet uit elkaar te drijven. Ik moest denken aan de tijd dat de man en ik uit elkaar dreven. Ook mensen komen in stromingen terecht. Ik dacht aan hoe ver de man en ik van elkaar verwijderd raakten. Dat de gedachte, dat als ik toen gewoon zijn hand had gepakt, me niet meer loslaat. We vonden elkaar, nadat we uit elkaar gedreven waren, wel weer terug hoor, maar daar gingen jaren overheen.

Ik ben geen hand in hand loper. Toch was er de gedachte, 'wat je liefhebt moet je bij de hand nemen'. Dat kwam door die otters. Ik had ik het er met niemand over, alsof het een geheim was. Zei niet tegen de man: 'Zeg weet je ...?' Alsof ik daarmee een nalatendheid zou prijsgeven. Liefst dacht ik niet aan otters. Vroeg of laat zouden ze wel weer opduiken, als metafoor voor iets, in een tekst ofzo.

De dag voor Koningsdag viel poëzietijdschrift Het Liegend Konijn met een zachte plof op de kokosmat. Ik zette het gaspit onder de espressopot laag, nam het uit zijn kartonnen verpakking. Al jaren komt Het Liegend Konijn tweemaal per jaar door de brievenbus mijn huis binnen. Er zijn  gewoontes ontstaan. Eerst lees ik alle namen op het voorplat (tweeëndertig). Ik lees ze hardop. Tel de lettergrepen als zoek ik het ritme van een gedicht op mijn vingers: Frouke Arns (3)/ Claude van de Berge (6) / Jacobus Bos (4) / Jonas Bruyneel (4) / Pim Cornelussen (5) / Tjitske de Haas (4) / Paul Demets (3) / Mattijs Deraedt (4)/ Lieve Desmet (4)/ Hanneke van Eijken (6)/ Luuk Gruwez (3) enzovoort. Alles aan een poeziëtijdschrift wordt eenvoudigweg poëzie.

Dan begint het bladeren, van achter naar voor. Als bij het leggen van de tarot laat ik de regels van een gedicht eruit springen. Mijn blik vangt woorden, regels die onbekommerd, blanco ontvangen worden. Niets is mooier dan het moment van de eerste keer. Regels van dichter Dirk Vis: 'zeeloos zwom de vis van gootstenen en stroompjes' en 'Hoe is het om zee te zijn? vraagt de vis', springen naar voren. toen kwam Anne Provoost met, 'Mijn zusje brak. Ik liep rond in de stad want ik wilde haar lijmen maar'. Daar kom ik bij terug, wist ik. Door bladerde ik tot: 'en iedereen schrijft al over otters die elkaars poot vasthouden', van Lena Plantinga. De dichteres geeft aan dat dit teken van saamhorigheid onder otters een gegeven is dat je zou kunnen gebruiken, maar niet in de vorm van: 'Zeg weet je...'. Ze gebruikt het als ontkenning, niet over otters schrijven omdat iedereen dat al zou doen. En ondertussen. Er was even een schok, alsof iemand er met mijn otters vandoor was gegaan. adat ik het hele gedicht gelezen had, fluisterde ik, 'Geweldig, hoe ze dit gebruikt.'

'Een verlangen naar veelheid'

'Je loopt over de Herengracht naar een schrijfcursus
betaald van geld voor huur, de schrijver vraagt waarom
waarom schrijf je niet over verlangen, daarmee bedoelt hij niet
het verlangen om een man te pijpen die op je hoofd klopt
zegt goed gedaan, narcisme is onaantrekkelijk
en iedereen schrijft al over otters die elkaars poot vasthouden
(...)'

Het gedicht telt vijf coupletten. Waarin een niet weten wat, wie en hoe te leven is neergezet. Het eindigt zo: 'je denkt aan alle wants en needs die nodig schijnen te zijn / om een held te vormen // je balt een vuist / ziet de vorm van een hart / en van een otterpoot'.

Opnieuw fluister ik, 'Geweldig!' Dat Plantinga weet heeft van het hart, het vasthouden van een hand. Weet heeft van het belang van dit alles. Het is gek gesteld met een geheim. Je denkt dat als jij het er niet over hebt, niemand het weet. Maar dichters weten alles. Ze vangen beelden, woorden, sluiten die in zichzelf op, maken daar poëzie van. Waarna ze die gedichten op je afsturen in zoiets als Het Liegend Konijn. Ondertussen blijf ik aan otters denken. Gisteren nog, toen de man en ik door een feestelijk aangeklede stad liepen. Er woei een koude wind, ik pakte zijn hand, dacht otters.

 

 

Mag het een zkv meer zijn

Het komt wel eens voor dat ik geen mensen verdraag. Dat het al teveel is wanneer ze langs mijn keukenraam voorbij lopen. Ik trek dan de voordeur open en roep: ‘U bent de zoveelste vandaag. Kunt u alstublieft ergens anders voorbij gaan lopen.’ En dat de nietsvermoedende wandelaar, ‘Oh, dat spijt me’, zegt, vind ik mooi. Als er zelfs gevraagd wordt of hij door zal lopen of dat ik liever heb dat hij terugloopt, om  het voorbijgaan aan mijn raam ongedaan te maken, kies ik geroerd voor het laatste. Waarop de wandelaar achterwaarts lopend uit beeld verdwijnt. Dat kan in een verhaal. Daarom hou ik meer van verhalen dan van mensen. Verhalen die ontstaan in de ruimte tussen de dingen in.

In 2015 schreef ik me in voor de zogenaamde graslijst voor zkv’s van A.L. Snijders (1937-2021). Zo gauw de schrijver een zkv klaar had, kregen wij, die op de lijst stonden, het als eersten onder ogen. Ik geloofde graag dat het een privilege was. Mijn eerste zkv dat ik via de graslijst ontving, heette Valérie. Ik dacht direct aan Amy Winehouse, maar die kwam er niet in voor. Het ging over een jongensachtig meisje dat de schrijver in 2002 bij een paasvuur in de Achterhoek zag. Een kind dat licht en springerig rond het vuur bewoog, er onderwijl takken opgooiend. Maar dat ook even plotseling stil op haar rug in het gras ging liggen, alsof ze dood was. Hij beschreef hoe een vrouw naast het kind ging liggen en zei: ‘Ik wil dezelfde dingen zien als jij.’

Dertien jaar later liet de schrijver een boomchirurg komen om een berkenboom in te korten. De boomchirurg zei, ‘U schreef eens een stukje over mijn dochtertje.’ Dat dochtertje is nu 21 jaar en studeert. Door deze ontmoeting, schrijft de schrijver, was hij opeens het besef van dertien jaren kwijt. Dat lukt je nooit in het echte leven: jaren laten verdwijnen. Wel in een verhaal. Ik vond dat prachtig en liet dit per omgaande de schrijver weten. Geen idee of de schrijver zelf achter de mailing zat maar wilde dat wel geloven. In reactie op mijn mail ontving ik die dag nog een zkv. Hoewel die niets van doen had met het voorgaande, verbeeldde ik me dat deze alleen voor mij was. Omdat ik zijn stukje mooi vond, hij in een goede bui was, omdat het zondag was, de schrijver dacht: 'Vooruit, het mag wel eens een zkv meer zijn'.

 

 

Kat en muis

Toen onze kat doodging, liep hij eerst nog met zijn zwart glanzende lijf de tuin in. 's Middags lag hij bij de achterdeur. Zijn kop en bovenlijf hield hij omhoog, zijn fluweel glanzende achterlijf lag bewegingsloos achter hem. Toen ik de deur opende, trok hij zich met zijn voorpoten over de drempel, zijn achterlijf sierlijk als een zeemeerminnenstaart achter zich aanslepend. Toen we hem als kitten kregen, noemden we hem Maupie. Waar hij nooit op reageerde. Hij was een kat, hij zette zijn waardigheid niet met een door ons verzonnen naam op het spel.

Eerder die week, toen niemand nog aan doodgaan dacht, las ik Legende van een zelfmoord. Met sommige boeken kan het lang duren voor je ze leest, soms tien jaar. Eenmaal begonnen liet het me niet meer los. De schrijver droeg het op aan zijn vader, James Edwin Vann die zichzelf op veertigjarige leeftijd doodschoot toen hij in afzondering op een eiland in zuidoost-Alaska verbleef. De schrijver was toen een jongen, dit boek werd zijn debuut.

In het boek gaat de vader met zijn dertienjarige zoon naar een eiland in zuidoost-Alaska om te jagen, te vissen, om te overleven. De vader is een wat klunzig type, veel mislukt hem. ‘s Nachts hoort de jongen hem huilen, overdag ziet hij dat hij niet van hem op aan kan, suïcidaal is. Daarom gaat de jongen in op het aanbod van de vader om hem te weerhouden van zelfmoord. Tussen de vader en zoon wordt het een kat- en muisspel waaraan de jongen plots een eind maakt door zichzelf door het hoofd te schieten. Een daad van verzet. De vader die het schot hoort terwijl hij met zijn moeilijke zelf zich ver van de hut bevindt, zoekt er geen onraad achter. Als hij later zijn zoon in de deuropening van de hut ziet liggen, begrijpt hij dat er zich iets onherroepelijks gekeerd heeft. Hij denkt aan de moeder van de jongen.

Hij stopt zijn zoon in een slaapzak. Met een rubberen bootje varen ze tot de benzine op is langs de kust van zuidoost-Alaska op zoek naar hulp. Eerst wordt het lichaam stijf, later wordt het weer zacht, loopt er vocht uit, begint het te stinken. De vader praat tegen zijn zoon. Op een ander eiland vindt hij een hut, er is voedsel. Hij sleept zijn zoon daarheen, praat tegen hem, stelt hem gerust. Het ongeloof dat zijn zoon echt dood is, wordt pijnlijk voelbaar als je leest, ‘hij had nog steeds niet bewogen’. Een ingenieus boek, over een zoon die zijn vader het leven geeft. Het speelde nog dagen door mijn hoofd. Hoe de vader met zijn dode zoon sleepte, het verzorgde.

Ik dacht daaraan toen onze dode kat, soepel en zacht als fluweel in een mandje lag, de voorpoten langs zijn kop. Dat ik dacht hem wakker te kunnen aaien. Eén oor was al stijf. Ik dacht aan het weer zacht worden, aan lichaamsvocht, aan de aanwezigheid van een zwarte kat.

 

Legende van een zelfmoord / David Vann / vertaling Arjaan van Nimwegen / De Bezige Bij (2010)

Bats, en klaar is Kees

Steen, schaar, papier is een spelletje met de handen, een nulsomspel, een soort kop of munt, elk kind kent het. Een van de verhalen van Maxim Osipov heet, ‘Steen, schaar, papier’. Waarin een oudere vrouw Ksenia Nikolajevna Knysj, de schoolmeester Sergej Sergejevitsj en Roxana, een zwijgzame jonge vrouw, de rol van een van deze handgebaren vertegenwoordigen. Onder het communisme deed Ksenia ‘haar plicht op de grens van geloof en ongeloof, net als iedereen.’ Na het communisme bekeert ze zich tot het christendom. Haar dochter verwijdert zich van haar, sterft jong. Dat is de schuld van de intellectuelen, van de schoolmeester. Hij heeft de geest van haar dochter met literatuur vergiftigd. Literatuur maakt de wereld groter en laat angstige moeders achter. Angst is als een knijper op je neus, je stikt langzaam.

Ksenia bezit een restaurant, laat veel mensen voor zich werken die nooit worden uitbetaald. Ksenia draait met alle winden mee. Zij is de steen, niets beklijft. Roxana is bij haar in dienst. Dan belandt Roxana in de gevangenis. De man die haar belaagde stak ze dood. Ksenia bezoekt haar, neemt worst mee, wat Roxana niet belieft. Ze wordt daarom door Ksenia bewonderd, want heeft een vrouw in zo’n situatie iets te willen? ‘Ze wil op Roxana lijken, op haar niveau staan. Gaat dat lukken? Ksenia voelt zich dom en oud naast dit plotseling volwassen geworden kind: haar daad heeft haar tot onbereikbare hoogten opgetild, tot dicht bij het mysterie! Ksenia heeft zich heel haar leven in allerlei bochten gewrongen, altijd maar in de weer, gissend, stapje voor stapje vooruit schuifelend, onderhandelend met al die… en bij Roxana, bats, en klaar is Kees. Helemaal zelf! Ze heeft haar eigen lot in handen genomen, de rechtbank, de straf!’ Ja, bats, door roeien en ruiten om de wereld open te breken.

Osipov schrijft dicht op de huid van de menselijke verhoudingen, forceert een denktrant, negeert aannames. Een nieuw pad dat gegaan moet worden, ja, ja. Stilzwijgend (als houd ik de adem in) lees ik door. Hoe Roxana de Islam aanhangt. Ksenia dat ook wil. ‘Ksenia heeft nog nooit iemand zo geloofd als haar nu.’ Waarom de USSR uiteen is gevallen, dat weet Roxana, ‘Ze hebben teveel naar het Westen gekeken. Naar het duivelse Westen. Ze werden ontrouw aan hun voorbestemming.’

En dan de schoolmeester, man van het papier, hij heeft het laatste woord: ‘En tenslotte, ik ben vrij.”Verheug je in de eenvoud van je hart, verheug je vol vertrouwen en wijsheid,” zeg ik tegen de kinderen en mezelf. Ik heb dat niet zelf bedacht, maar wel zo vaak herhaald, dat het ook van mij is. Het hoort net zo bij mij als slaperige kinderen in de klas, Russische literatuur en heel Gods mooie schepping.’

Na deze laatste regels sluit ik het boek, staar voor me uit. Om een verhaal van schuld en boete zo te eindigen is haast als een verlossing. In Osipovs verhalen is de wereld hoe dan ook niet stuk te krijgen. Overrompelende verhalen, geweldig boek.

 

 


De wereld is niet stuk te krijgen / Maxim Osipov/ 380 pag. / Vertaling: Yolanda Bloemen en Seijo Epema / Van Oorschot (2019)

(Deze column verscheen eerder op Literair Nederland)

 

Een bepaalde urgentie

Je gelooft dat in elk mens het goede zit. Was het al niet zichtbaar, dan toch zal het op zeker moment naar boven komen. Je dacht aan de man die nadrukkelijk zei premier te willen worden van 'alle Nederlanders'.

Je leest Goudjakhals (Songs of Freedom), de eerste dertig bladzijden grijpen je al aan. De gedachte dat de aankomend premier dit moet lezen. De man die wegsmelt bij de aanblik van asielkatten, moet wel geschokt raken. Het gaat over mensen die zich nog benarder voelen als een kat in een jute zak. Zij verdienen bovenal medemenselijkheid.

Je leest 'GPS', het eerste verhaal in Goudjakhals, over een gps-systeem met een satellietcamera die een miljoen keer scherper waarneemt dan het menselijk oog. Alles wordt gezien, en dat blijkt teveel te zijn. Het systeem raakt ontregeld door het beeld van een 'klein mens in een korte blauwe broek, een rood T-shirt en klittenband schoentjes, aangespoeld op een Europees strand'. Het kan de beelden niet verwerken, het ontregelt  de 'binaire codering' van het gps-systeem. Je herkent, en ieder die dit leest zal het herkennen, in dit beeld het 3-jarige Koerdisch-Syrische jongetje dat in 2015 aan de Europese kust aanspoelde. Men zei dat dit beeld van dat hopeloos kleine mannetje, de vluchteling een nieuw gezicht gaf. Het is raar, dat we zulke beelden nodig hebben om ons de ogen, ons hart te openen. Ons voorstellingsvermogen heeft blijkbaar zo nu een dan een dosis verschrikkelijkheden nodig.

Terwijl je leest over een virtuele wereld, waar je niets van begrijpt. Je langs gps-coördinaten, bits en bytes en digitale signalen maneuvreert, kom je bij het tussenkopje: MEG45. Dagboekaantekeningen van een vluchteling wiens asielprocedure al twee jaar duurt en het eind nog niet in zicht is. Je herinnert je hem als de vluchteling die op een naar binnen gesmokkelde mobiel een boek schreef, over zijn jaren in een kamp op een eiland bij Australië. De vluchteling noteert:

'Eén keer per jaar komt het Rode Kruis langs. Eén keer per maand bellen ze me op. Informeren naar mijn levensomstandigheden. Ik vertel ze dat ik van geluk mag spreken dat ik een slaapplek heb in barak M45. Mijn matras is geen platgevouwen kartonnen doos zoals die van mijn vriend Ahmed uit Sudan, die slaapt in een lekkende tent van de UNHCR. Ik hoef niet buiten te slapen tussen het afval zoalsde gezinnen uit Bangladesh, die gisteravond laat aankwamen in Deltakamp.
Ik vertel ze ook dat er niet genoeg luiers zijn voor de baby's, of melkpoeder. Dat er geen stukje tape of touw is voor een kapotte tent. Dat er veertig douches zijn voor vierhonderd man. Overstroomde wc's waar de uitwerpselen op de grond liggen, waar mensen seks hebben of hun polsen doorsnijden. Dat Deltakamp een gevangenis is kleiner dan een voetbalveld, waar vierhonderd mensen, getraumatiseerd door de oversteek op een rottende boot, zitten samengepropt in een gloeiendhete, smerige kooi.
Ik update ze altijd. Daarna blijft alles bij het oude.'

Je hart breekt, denkt in een opwelling dat de man die zich uit gewoonte kwetsend uitlaat over mensen (desgevraagd zegt dat het nooit zijn doel is 'iemand te kwetsen'), dat deze man dit boek zou moeten lezen. Dat het zou kunnen helpen. De schokken die het teweeg brengt, de geschiedenissen die onthult worden, zullen het hart raken, iets in beweging zetten. De vluchteling overgeleverd aan de willekeur van een systeem, dat zou eens afgelopen moeten zijn. Spiegelend in het kwaad zal het goede zich laten zien. I'm a Believer.

Je bent nog maar net op weg in deze roman, maar weet dat je met je neus ergens op gedrukt zal worden. Uit dit boek spreekt een bepaalde urgentie.

 

 

Goudjakhals, Songs of Freedom / Julien Ignacio / 286 blz. / Uitgeverij Van Oorschot

 

Wij konden naar huis

De nachten waren koud, de ochtenden zonnig waarin we ons comfortabel settelden (als kende geluk geen einde) met een boek of domweg voor ons uitkeken naar de koeien aan de overkant van het meer of luisterden naar het loeien in de wei achter ons. Waarna hij koffie zette en ik een appel at.

Om een uur of een/twee in de middag begon het stipt te regenen. Hevige regenval op tent tafel stoelen die we daarna droogden met doeken waarvoor er net te weinig zon scheen om die weer droog te krijgen. De dagen kregen hun eigen ritme: kou, zon, regen en het ordenen der dingen en dan kwam de nacht weer waarin we met koude neus en oren in onze slaapzak staken. Elke avond zeiden we tegen elkaar dat we de volgende keer een wollen muts mee zouden nemen. We hadden aan alles gedacht, wollen sokken, truien, dekens - 'extra blankets for the cold' klonk Janis Ian in mijn hoofd - een goed boek en zelfs een kruik hadden we mee, maar die muts, die waren we vergeten. In Frankrijk was het 40 °C wist een van de overgebleven campinggasten te vertellen, in de nachten 27 °C. We wisten niet wat erger was.

Toen na vier dagen de zon in de ochtend zich niet meer liet zien, dachten we aan naar huis gaan. Wij hadden een huis waar een bed nog maar een paar weken geleden bij ons bezorgd op ons wachtte. Dat bed, dat mooie bed van kersenhout, wat een fijne matras het had, dat zeiden we tegen elkaar als we op ons veldbedje de kou probeerden te weren door nog eens op onze andere zij te gaan liggen en zochten naar hoe we ook alweer de slaap moesten vatten.

Ook tijdens die zonloze ochtenden keken we voor ons uit naar de koeien die aan de overkant van het meer, waarvan we het waterpeil zagen stijgen, al grazend onder de bomen doorliepen. Zo nu en dan loeiden ze klaaglijk als misten zij iets. En zette hij koffie, at ik een appel, las in Malacqua (slecht/kwaad water) van de Italiaanse schrijver Nicola Pugliese. Een boek waar je, ondanks de dikte van 155 bladzijden, een rijkdom aan van alles in vond.

Pugliese schreef maar één boek, daarna vertikte hij het om er nog een te schrijven. Hij gaf zelfs geen toestemming voor een herdruk toen het boek een succes bleek. Pas na mijn dood, gaf hij te kennen, mag het herdrukt worden. Ik had zo'n  man die zo'n geweldig goed boek schrijft en en er dan niets meer van wil weten, wel eens willen ontmoeten.

In Malacqua was alles veel erger, vier dagen onophoudelijke regenval in het Napels van de jaren zeventig. Het is een stuwende roman met prachtige inzichten in hoe de mens zich verhoudt tot een natuurramp. Er was wat te leren, hoe we met de dingen omgaan, en dat het antwoord van de natuur op onze ondoordachte gedragingen gewoonlijk een ramp is. Het regenwater sijpelde onvertraagd door alles heen, straten spoelden weg, mensen verdwenen, huizen storten in. Er is geen oplossing dan enkel het ondergaan van alles.

Zo erg was het met ons nog niet gesteld dus bleven we nog een nacht en vertrokken pas toen we geen droge onderbroek meer in onze bagage vonden. Op de derde zonloze ochtend stouwden we het lelijk eendje vol met onze spullen en vingen met vele gedachten in het hoofd de terugtocht aan. We gingen naar huis om de kou en de regen en het ontbreken van die wollen muts. Want echt, zeiden we tegen elkaar, als we ons hoofd warm hadden kunnen houden dan waren we gebleven.

 

 

Malacqua werd vertaald door Annemart Pilon / uitgegeven door Van Oorschot.

 

Verzuring enzo

Vanuit Deventer liep ik de spoorbrug over. Ging linksaf door het park op de Worp, langs de camping en het IJsselhotel, voorbij het pontje, op weg naar de oude IJsselbrug. De bermen stonden vol sint jacobskruid, paarse distel, boerenwormkruid. Manshoog. Ik plukte een bos met lange stelen, stopte die in de tas om mijn schouder. Midden op de IJsselbrug zag ik pas goed hoe hoog het water stond. Ik zag drie jonge aalscholvers, ieder op een gele drijvende bol, op het water. Ze klapten hun vleugels uit, schudden hun nog donzige kopjes, keken reikhalzend over het water heen, klapten opnieuw met hun vleugels, bleven zitten.

Aan de stadskant stond de kade nipt onder water. Onder me was de wei volgelopen, door het hoge water heen schemerden weidebloemen en braamstruiken. Aan de andere kant van de IJsselbrug gekomen, nam ik de oude stenen trappen naar beneden, linksaf het verlaagde Wellepad op. Van bovenaf riep iemand, 'Wat hebbie nou? Da's toch onkruid'. Een grote man wees naar mijn bloemen. Ik lachte, 'Mooi zijn ze hè!' 'Maar t 'is wel onkruid' hield de man aan. ''t Is sint jacobskruid', riep ik terug, 'en boerenwormkruid'. Door de bloemen bij hun naam te noemen werden ze voor de grote man misschien iets meer 'kruid' dan 'on'. 'Jaja, sint jacobskruid, dat ken ik wel' zei de grote man terwijl zijn ogen de overkant van de IJssel afspeurden als zocht hij een punt waarmee we konden samenvallen.

'Kijk' zei hij, en wees, 'daar staan ook allemaal bloemen.' Ik keek en zag een veld met gele en witte bloemen. 'Maar', ging de grote man verder, ‘nog nooit stond er zoveel onder water. Niet in deze tijd van het jaar. Dat komt door dat klimaat, verzuring en zo.' Toen zei hij, 'Weet je dat ze er ook olie van maken van die bloemen?' 'Ja', riep ik, ‘geweldig toch?' Zoals de grote man uit het niets tegen me begon te praten, was hij er ook ineens weer vandoor. Terwijl ik verder liep, bleven mijn gedachten haken aan 'onkruid', fladderden begrippen als - natuur, klimaat, onderwater, verzuring, 'enzo' -  door mijn hoofd. Over het zo anders begrijpen van de oorzaak der dingen.

(15 juli '21 in Deventer)

 

In herinnering Kees IJzer, mijn broer

Drie jaar geleden stierf mijn broer, hij  werd aangereden door een motor. In Amsterdam was hij bekend als Kees IJzer van het Waterlooplein. Met zijn fietskar stak hij op 11 juli 2020 vanuit de Buiten Oranjestraat de Haarlemmer Houttuinen over op weg naar het Bickerseiland. Hij reed door rood, leek afwezig zei een getuige. De motorrijder werd volledig verrast. Elf dagen lag hij in coma, op 22 juli overleed hij aan zijn verwondingen. Kees was al meer dan twintig jaar uit de familie verdwenen. Niemand wist waar hij zich ophield. Na de dood van onze moeder in 1982, vloog hij uit. Hij begon voor kermisattracties te werken, reisde mee door Europa. Hij ontmoette handelaren die hem wisten in te zetten koperwerk uit leegstaande panden te slopen, spullen ergens af te halen voor een pakje sigaretten. Hij had de kracht van een beer zeiden ze. Als ik in al die jaren wel eens aan hem dacht, dacht ik ongewoonheid. Soms vroeg ik me af of hij nog op het Waterlooplein kwam. Want dat was wat we wisten, dat hij dingen ritselde op het Waterlooplein.

De laatste tien jaar van zijn leven woonde hij in Amsterdam Noord in een huis bij een man die zijn geldpas beheerde en de opbrengst die hij met het ophalen van oud ijzer verdiende in beslag nam. Ik hoorde dat hij eens dagenlang met een gebroken hand rondliep. Dat de buurvrouw hem meenam naar het ziekenhuis waar de arts vroeg of hij medicatie gebruikte, hij toen mompelend toegaf dat hij dagelijks medicatie voor HIV gebruikte. Waarbij hij beschaamd wegkeek van zijn buurvrouw, die zei, ‘Dat ken je gewoon zeggen hoor, dat geeft niet. Daar hoef je je niet voor te schamen jongen.’ Dat vertelde ze me toen ik de buurt bezocht, op zoek naar plekken waar zijn leven zich afspeelde.

Kort na zijn begrafenis op St. Barbara kwam ik voor het eerst in de Vogelbuurt, zag het huis waar hij een kamertje van twee bij drie meter bewoonde, een soort ruime voorraadkast. Er lag een matras op de grond, smoezelig beddengoed, er was een laag tafeltje (het enige meubelstuk) waarop een televisie en videorecorder. Verder veel plastic tasjes, losse spullen op een hoop, vuil vaatwerk, een kapstok aan de muur vol jassen. Het leek een schuurtje waar alles wat niet bruikbaar was, werd ingesmeten. Ik mocht er niet binnen, er was iets met een politieonderzoek.

Vorig jaar zomer ging ik er weer heen, bezocht de Vijfde Vogelstraat waar Kees nog steeds gemist werd. Het huis was nu leeg, de huurder, de man die zijn pinpas had ingenomen, was er uitgezet. De spullen van Kees waren door de gemeente in een container gedaan en naar de opslag gebracht. Door het kleine raam zag ik het lege kamertje, nog steeds was het onvoorstelbaar klein. Later fietste ik naar de Dirk van den Broek aan de Meeuwenlaan waar mijn broer dagelijks zijn boodschappen deed. Ik zocht naar de zakken met witte kadetjes, de diepvries frikandellen, liep langs de literflessen met sinas die, zo werd me verteld, hij altijd dronk. Hij had er een speciale houder voor op zijn fiets, daar paste precies zo'n joekel van een fles sinas in. Alles waarvoor hij om boodschappen ging, vond ik in de schappen. Hem vond ik niet. Bij de kassa overwoog ik de kassamedewerkster te vragen of ze Kees IJzer kende. Ik deed het niet.

In een poging zijn leven in kaart te brengen ben ik mensen gaan opzoeken die hem gekend hebben. Iedereen die ik sprak, zei dat hij zo aardig was, geen vlieg kwaad deed, zo'n lieve man was. Wat ik hoorde, was dat hij elke avond, nadat hij frikandellen had gegeten, naar Amerikaanse cartoons keek, Woody Woodpecker, Bugs Bunny, Tom & Jerry. Dat hij dan heel hard lachte. Ik herinnerde me zijn lach toen we als kinderen die cartoons keken. Hij kende een onafzienbare hoeveelheid mensen, het leek of de hele stad hem kende. Ik hoorde mooie verhalen over hem, maar ook over huisuitzettinggen, financiële uitbuiting, dat stak. Het beeld van zijn leven is nog niet compleet, maar elk gesprek met wie hem kende voegt iets toe aan wat wij tijdens zijn leven gemist hebben. Hij was een van de laatste morgensterren van Amsterdam schreef het Parool over hem.

Op een zaterdagmiddag stond ik op de hoek van de Buiten Oranjestraat voor het stoplicht waar hij door rood reed. Aan de overkant zag ik de doorgang naar de Nieuwe Teertuinen. Ik keek naar de plek iets uit het midden op de weg van de Haarlemmer Houttuinen, de plek waar hij moet zijn neergekomen. Ik speurde naar een oneffenheid in het wegdek, naar bloed dat tot bruin ingetrokken zou zijn, naar een gat in het asfalt waardoor hij verdwenen is. Er was niets en toch was het hier allemaal gebeurd.  



Foto: Crispijn Geus-Tromp

Sputterende bromfiets

Ik zit voor een week in een huis waarvan de bewoners naar Frankrijk zijn. Ik had ook wel naar Frankrijk gewild, maar dat ik in een huis verblijf waarvan de bewoners in Frankrijk zitten, geeft aan dit verblijf iets Frans-achtigs. En met deze zonnige dagen heb ik toch een aardig vakantiegevoel. Er is een kat die me zo nu en dan net geen kopje geeft maar me wel verwachtingsvol aankijkt, om me heen draait, me gezelschap houdt. In ruil daarvoor ververs ik het water, vul brokjes aan en in de avond serveer ik diner uit een zakje. Mijn eigen diner heeft zich vereenvoudigd tot drie opgerolde rauwe spitskoolbladeren en een bak tomaatjes die ik uit de hand eet. Waarna ik een espresso maak met een apparaat dat ik nog nooit bediend heb. Ik blijk gevoelig voor apparaten die door een repeterende opeenvolging van handelingen, (knopje indrukken, klepje omhoog, tinnetje erin, klepje dicht, beker eronder, knopje opnieuw indrukken, waarna het pruttelend, als een startende bromfiets, in beweging komt) zijn werk doet. Dat het leven voor even helemaal lijkt te kloppen. 

Intrekken in het huis van een ander wanneer de bewoners er niet zijn, heeft iets avontuurlijks. Je moet jezelf een beetje opnieuw uitvinden. Er zijn natuurlijk regels. Ten eerste: trek niets open waar je niks te zoeken hebt. Ten tweede: houdt alles schoon, breek niets. Met die regels ben ik behoorlijk druk. Natuurlijk breek ik een glas in duizend splinters, bedierf op de tweede dag de vloer in woon- en tuinkamer met blauwe bessensap. Ik bracht een leeg kartonnen doosje van ontdooide blauwe bessen naar de vuilnisbak en veroorzaakte een spoor van bloedrode spetters van keuken tot aan de serre. Mompelend tegen mezelf ging ik de vlekken met doekje en water te lijf. Toen dacht ik: 'Citroensap'. Met enkele druppels citroen verbleekten de vlekken, verdwenen. Ach, dit had ik goed opgelost. Drukte nog maar eens op het knopje van het koffieapparaat, klepje omhoog, tinnetje erin, klepje dicht, beker eronder, knopje nogmaals indrukken.

Al die tussentijdse handelingen om te weten van waaruit het schrijven moet worden aangevlogen. Ik lees (De Mandibles van Lionel Shriver), loop veel heen en weer, spoel kopjes af, luister naar podcasts (Aaf & Lies), verschuif dingen, maak de ene smoothie na de andere, drink me daarin helemaal lam. Dan moet ik naar de winkel om vers fruit. Waarna ik verder luister naar interviews met Mischa Wertheim (in de Balie), en Ischa Meijer. Kwam bij dit pareltje aan duiding van de Nederlandse tv in de jaren negentig ('Blokje Erg') door Ischa Meijer (Zomergasten 1992) terecht. Geweldige tv fragmenten, gedateerd, maar daarom geweldig.
Dan, als er enige beweging op gang komt, moet ik al weer
 weg, moet het huis in originele staat teruggebracht (waar stond deze lamp ook weer?). Ik ben een sputterende bromfiets waarbij op het moment van gaan de motor afslaat.

 

Kijk naar dit heerlijke 'Blokje Erg' van Ischa Meijer!

 

In wiens verhaal

In de verhalen van Alice Munro weet je nooit waar je bent of in wiens verhaal je zit. Ze zet je als lezer gerust naast een vrouw op een bank voor een station in Canada. Waarschijnlijk komt die vrouw uit Toronto en is afgereisd naar een kleine stad, of dorp. Op die bank zit nog een vrouw met in oliepapier gewikkeld vlees, rauw vlees. De vrouw die zit te wachten, kon het ruiken, dat rauwe vlees. Op de rails staat een lege elektrische trein. Dan roept de stationschef een naam, San, of Sam. Daarop steekt een man in uniform de rails over, stapt in de trein. De vrouw met het rauwe vlees loopt achter de man in het uniform aan. De vrouw naast wie ik als lezer was terecht gekomen, liep achter de vrouw met het vlees aan. Aan de andere kant van de straat haasten mannen zich schreeuwend een gebouw uit, drukken hun petten met een hand tegen hun hoofd. Alsof de trein ieder moment kon vertrekken, maar dat gebeurde niet. Er werd gewacht op iemand, toen die niet kwam, begon de trein te rijden.

Na een paar minuten stopt de trein, de vrouw met het vlees stapt uit, ook de vrouw die zat te wachten, en ik. We staan bij een bevroren meer en een gebouw met rijen ramen, aan beide zijden een serre. Het was een bewolkte dag. De vrouw met de pakjes vlees vraagt haar waar ze heen moet, dat het bezoekuur om drie uur is afgelopen. Ik denk dat het gebouw een ziekenhuis is, of een verzorgingshuis. De vrouw die waarschijnlijk uit Toronto komt zegt dat ze de onderwijzeres is. De vrouw met het vlees neemt haar mee de keuken van het gebouw in. Ze moet haar laarzen uit doen, 'Die kunt u beter uittrekken voordat ze de vloer vuil maken.' Staande wrikt ze haar laarzen uit, zet ze op de mat bij de deur. De vrouw met het vlees zegt dat ze haar laarzen mee moet nemen, haar jas aan moet houden, er is geen verwarming in het gebouw. De vrouw uit Toronto wordt naar de garderobe gebracht, het ruikt er naar vochtige winterse kleren, vuile sokken. Het voelt alsof ze straf heeft gekregen.

Er komt een schoolmeisje de garderobe binnen, gooit haar boeken op de bank langs de muur. Ik geloof dat het gebouw geen ziekenhuis is, maar een school. De vrouw uit Toronto is onderwijzeres, dus dat klopt wel. Het schoolmeisje praat aan een stuk door, 'Ik zou best willen dat u mijn juffrouw was, maar ik moet in de stad naar school. Dat zijn stomme regels. Want ik heb geen tbc.' Ah, het gebouw is toch geen school, maar een ziekenhuis voor kinderen met tbc. De onderwijzeres is er om zieke kinderen te onderwijzen.

Het schoolmeisje brengt haar naar  een verstrooide man, haar werkgever. Ik stond erbij en hoorde de verstrooide man vragen of de onderwijzeres het hier in de bossen naar haar zin zou hebben, of ze zich niet zou gaan vervelen, na Toronto. De onderwijzeres haast zich te zeggen dat dat zeker niet zo zal zijn. Ze zei, en ik slikte iets weg want ik voelde dat wat ze ging zeggen te hoog gegrepen, banaal zou zijn. 'Alsof... alsof je in een Russische roman bent terechtgekomen.' De verstrooide werkgever keek haar aan. Toen zagen we beiden dat hij heldere, grijsblauwe ogen had. Hij trok een wenkbrauw op en vroeg 'en welke Russische roman dan?' De onderwijzeres had een aantal Russische romans gelezen, maar kon op geen enkele titel komen. Natuurlijk herinnerde ze zich Oorlog en vrede. Ik zag dat ze die niet wilde noemen, toch zei ze, 'Oorlog en vrede'. Het leek of ze aan het opscheppen was.

De verstrooide man veronderstelt dat ze geen ervaring met tuberculose heeft. 'Ik heb De To...', begint de onderwijzeres. 'Ik weet het', onderbreekt hij haar, 'U hebt de De toverberg gelezen.' Waarmee hij benadrukt dat een roman lezen je niet klaarmaakt om de werkelijkheid tegemoet te treden. Als de onderwijzeres een paar weken in het gebouw verblijft, haar dagen zich aaneenrijgen, denkt ze nog wel eens aan die eerste dag. Aan het gebouw, de bomen, het bevroren meer. Dat de dingen zich nooit meer zo zouden voordoen als op die eerste dag, toen ze door hun 'geheimzinnigheid en gezag was gegrepen'. Als de dingen je vreemd zijn is er geen bespiegeling, geen herkenning van jezelf.

 

15 mei 2024,
Alice Munro (1931 - 2023) ontving in 2013 de Nobelprijs voor Literatuur. Vanwege een zwakke gezondheid kon ze die niet persoonlijk in ontvangst nemen. Haar laatste bundel verhalen Dear Life, vertaald als Lief leven, verscheen in datzelfde jaar bij uitgeverij De Geus, in vertaling van Pleuke Boyce, haar vaste vertaler. Een verzameling van haar beste verhalen verscheen in 2017 in Familiestukken. Munro leed al lange tijd aan dementie en overleed maandag 13 mei  op 92 jarige leeftijd in een verzorgingstehuis in Ontario.