In wiens verhaal

In de verhalen van Alice Munro weet je nooit waar je bent of in wiens verhaal je zit. Ze zet je als lezer gerust naast een vrouw op een bank voor een station in Canada. Waarschijnlijk komt die vrouw uit Toronto en is afgereisd naar een kleine stad, of dorp. Op die bank zit nog een vrouw met in oliepapier gewikkeld vlees, rauw vlees. De vrouw die zit te wachten, kon het ruiken, dat rauwe vlees. Op de rails staat een lege elektrische trein. Dan roept de stationschef een naam, San, of Sam. Daarop steekt een man in uniform de rails over, stapt in de trein. De vrouw met het rauwe vlees loopt achter de man in het uniform aan. De vrouw naast wie ik als lezer was terecht gekomen, liep achter de vrouw met het vlees aan. Aan de andere kant van de straat haasten mannen zich schreeuwend een gebouw uit, drukken hun petten met een hand tegen hun hoofd. Alsof de trein ieder moment kon vertrekken, maar dat gebeurde niet. Er werd gewacht op iemand, toen die niet kwam, begon de trein te rijden.

Na een paar minuten stopt de trein, de vrouw met het vlees stapt uit, ook de vrouw die zat te wachten, en ik. We staan bij een bevroren meer en een gebouw met rijen ramen, aan beide zijden een serre. Het was een bewolkte dag. De vrouw met de pakjes vlees vraagt haar waar ze heen moet, dat het bezoekuur om drie uur is afgelopen. Dan denk ik dat het gebouw een ziekenhuis is, of een verzorgingshuis. De vrouw die waarschijnlijk uit Toronto komt zegt dat ze de onderwijzeres is. De vrouw met het vlees neemt haar mee de keuken van het gebouw in. Ze moet haar laarzen uit doen, 'Die kunt u beter uittrekken voordat ze de vloer vuil maken.' Staande wrikt ze haar laarzen uit, zet ze op de mat bij de deur. De vrouw met het vlees zegt dat ze haar laarzen mee moet nemen, haar jas aan moet houden, er is geen verwarming in het gebouw. De vrouw uit Toronto wordt naar de garderobe gebracht, het ruikt er naar vochtige winterse kleren, vuile sokken. Het voelt alsof ze straf heeft gekregen.

Er komt een schoolmeisje de garderobe binnen, gooit haar boeken op de bank langs de muur. Nu geloof ik dat het gebouw een school is. De vrouw uit Toronto is onderwijzeres, dus dat klopt wel. Het schoolmeisje praat aan een stuk door, 'Ik zou best willen dat u mijn juffrouw was, maar ik moet in de stad naar school. Dat zijn stomme regels. Want ik heb geen tbc.' Het gebouw is toch geen school, maar een ziekenhuis voor kinderen met tbc. De onderwijzeres is er om ze te onderwijzen.

Het schoolmeisje brengt haar naar  een verstrooide man, haar werkgever. Ik stond erbij en hoorde de verstrooide man vragen of de onderwijzeres het hier in de bossen naar haar zin zou hebben, of ze zich niet zou gaan vervelen, na Toronto. De onderwijzeres haast zich te zeggen dat dat zeker niet zo zal zijn. Ze zei, en ik slikte iets weg want ik voelde dat wat ze ging zeggen te hoog gegrepen, banaal zou zijn. 'Alsof... alsof je in een Russische roman bent terechtgekomen.' De verstrooide werkgever keek haar aan. Toen zagen we beiden dat hij heldere, grijsblauwe ogen had. Hij trok een wenkbrauw op en vroeg 'en welke Russische roman dan?' De onderwijzeres had een aantal Russische romans gelezen, maar kon op geen enkele titel komen. Natuurlijk herinnerde ze zich Oorlog en vrede. Ik zag dat ze die niet wilde noemen, toch zei ze, 'Oorlog en vrede'. Het leek of ze aan het opscheppen was.

De verstrooide man veronderstelt dat ze geen ervaring met tuberculose heeft. 'Ik heb De To...', begint de onderwijzeres. 'Ik weet het', onderbreekt hij haar, 'U hebt de De toverberg gelezen.' Waarmee hij benadrukt dat een roman lezen je niet klaarmaakt om de werkelijkheid tegemoet te treden. Als de onderwijzeres een paar weken in het gebouw verblijft, haar dagen zich aaneenrijgen, denkt ze nog wel eens aan die eerste dag. Aan het gebouw, de bomen, het bevroren meer. Dat de dingen zich nooit meer zo zouden voordoen als op die eerste dag, toen ze door hun 'geheimzinnigheid en gezag was gegrepen'. Dat is zo, als de dingen je vreemd zijn, is er geen bespiegeling, geen herkenning van jezelf. Het overkomt je in de verhalen van Alice Munro.