De schrijver is er altijd

Toen A.L. Snijders overleed (7 juni 2021) bevond ik me midden in een op handen zijnd overlijden van de broer net boven mij. Die van de stille wateren, diepe gronden, waar altijd wat mee te lachen viel, binnenpretjes, breeduit lachend, glimlachend. Jongste broer en ik waren met twee van onze kinderen op de terugweg na een bezoek aan de zieke broer. Brachten zijn zoon naar huis in Rotterdam, dronken koffie toen mijn mobiel oplichtte. ‘A.L. Snijders is overleden’, berichtte mijn jongste dochter. Impulsief drukte ik het weg, ruimte creërend voor het toekomstige sterven van de een, de dood van de ander uitstellend.

Na Rotterdam brachten we mijn jongste zoon naar Utrecht, onderweg meed ik social media, hield de waarheid op afstand. Tussentijds schemerde de dood door mijn gedachten. Veel mensen zijn gestorven, niemand heb ik nog zien sterven.

Soms mailde ik Snijders een reactie op een van zijn stukjes uit de Graslijst. Op het zkv 'Onzin' van 4 november 2018, schreef ik: 'Mooi stukje! Vooral dat, 'Ik ben de schrijver van dit stukje. Meesterlijk!'

Waarop hij terugschreef:

'weet je wat zeer vreemd is, ingrid? vroeger, toen ik literatuur begon te lezen, ik was een jaar of vijftien, vond ik het verschrikkelijk als een schrijver erop zinspeelde dat een verhaal een verhaal was, en hij de schrijver. een verhaal moest ontstaan als een steen, zonder  tussenkomst van een mens – dat was m'n heimelijke ideaal. ik wist natuurlijk dat dat onhaalbaar was, maar ik volhardde in de eis dat de schrijver in ieder geval onzichtbaar moest blijven. en nu, een mensenleven later, doe ik wat ik vroeger verfoeide: ik word zelfs een flankerende auteur in mijn eigen verhaal. en dan tenslotte is er iemand zoals jij die dat niet alleen ontdekt, maar ook nog 'meesterlijk' vindt. je hebt een vijftien-jarige jongen gedood, die nota bene al zelfmoord had gepleegd. / goed dat je dat gedaan hebt, trouwens. / hartelijke groeten'

Er is een verhaal dat Snijders als vijftienjarige een verhaal van Jan Hanlo leest over een zielig hondje, waarin Hanlo  zich opeens tot de lezer richt met: 'Huilt u al?' Hoe die jongen zich betrapt voelt, het boek kwaad van zich afgooit. (Uit: Ik leef aan de rand van de wereld)
Die fysieke reactie op een manoeuvre van een schrijver: Ik vond het fantastisch.

Die avond thuis pakte ik de laatst uitgegeven bundel zkv’s van Snijders. Op 28 mei 2019 schrijft hij, 'Mijn vriendin kent me niet, want het is acht dagen geleden dat we elkaar voor het eerst ontmoetten. We staan te wachten op het station van Deventer, ze neemt de trein die regelrecht naar haar woonplaats Amsterdam rijdt, ze hoeft niet over te stappen. Het wachten heeft een betekenis die los van alles is en zonder meer doet denken aan een warm bed.’ Daar was een aanzet tot een nieuw leven.

We mailden gedurende een jaar regelmatig met elkaar. Kleine berichtjes over de somberheid die hem na het overlijden van zijn vrouw, Yvonne, zomaar overviel. Over voorgeschreven slaappillen, de wodka’s die gedronken moesten worden. Toen hij schreef dat ik nu wel erg belangrijk voor hem werd, voerde ik per omgaande mijn man op in de mail. Ik ben een angsthaas.

Kort daarop maakten we een afspraak voor een interview.

Op die Pinksterdag in 2019 vertelde hij, Peter Müller hoe grijs en traag zijn leven was geworden. Dat de kwalen die hij kreeg volgens de huisarts te maken hadden met het verlies van zijn vrouw. Wat hij een wonderlijke samenvoeging van gebeurtenissen vond. ‘Maar toen leerde ik deze dame kennen’, zei hij, naar buiten wijzend waar een vrouw naast zijn jongste dochter op een bankje zat. ‘Sinds een maand ben ik weer verloofd, jij bent nu getuige van mijn nieuwe leven. Drie jaar geleden is haar man overleden, en een paar maanden geleden hebben wij elkaar gevonden.’ Er was een kiertje opengegaan met zicht op een leven van minder schrijven, meer leven.

Over de houdbaarheid van literatuur en schrijvers zei hij, ‘Wat mij opvalt is dat schrijvers zo gauw ze dood zijn helemaal weg zijn. Vestdijk wordt niet meer gelezen, terwijl dat een fantastisch schrijver is. Dat lijkt ook alleen maar in Nederland te gebeuren, het onderwijs helpt daar natuurlijk ook niet aan mee. In Frankrijk kun je jong en oud nog een boek van Flaubert in de metro zien lezen.’

De schrijver is dood, maar weet dat ik altijd een bundel van A.L. Snijders zal openslaan in trein en metro, in hotelkamers en langs de oever van een rivier. Deze schrijver blijft.

 

 

Lees ook: Interview met A.L. Snijders/Peter Müller

 

Scheiße en opperste aanwezigheid

In mijn gedachten is alles mogelijk, zelfs slapen in een tot jeugdhostel verbouwde container op een industrieterrein. Het is de werkelijkheid waarover ik struikel. Ik boekte in een jaar dat A.L. Snijders nog wekelijks een zkv verzond, een overnachting in Groningen. Er was een dichtersweekend in de Prinsentuin. De hostel lag op tien minuten fietsen van het centrum van Groningen. Groningen had een Puddingfabriek en een Suikerfabriek, de een produceerde pudding, de ander suiker. Zo eenvoudig kan het zijn. Nu bieden ze plaats aan festivals en is er dat hostel op het terrein van de Suikerfabriek. Per fiets reed ik over een terrein met kuilen en bergen puinsteen. In de verte lagen de kleurige vrachtcontainers, omringd door een hekje en iets dat op een tuintje leek, in de zon te schitteren.

De openingsavond van het poëziefestival was in de Puddingfabriek, het dagprogramma in de Prinsentuin. Waar ik door loofgangen ging en door een gat in de heg naar bescheiden en uitgesproken dichters luisterde. Die dingen zeiden als: ‘Met mij is niet te doen’.

Er gaan veel bedden in een container, vijf stapelbedden waarin we met zijn tienen sliepen. Er was wat in - en uitloop tijdens de nachtelijke uren. Een groep Duitse jongemannen bleef lopen tot alle drankflessen die ze hadden meegebracht leeg waren. Waarna ze tegen dingen opbotsend  hun bed opzochten. Er werden hoofden gestoten, voeten glipten van bedranden bij de klim naar het bovenbed, er klonken verschillende hartstochtelijke ‘Scheiße's’. Waarna het ruften begon, het snurken in alle toonaarden, de lucht zich verdichtte tot een alcoholwalm. Verscholen onder een deken in een benedenbed kwam ik mezelf opeens als ridicuul voor. Ik vroeg me af hoe ik hier in godsnaam verzeild was geraakt.

Ik moest hier weg, maar durfde het bed niet te verlaten. Ik keek wel uit. Als teken van moed pakte ik de bundel zkv's Het oog van de naald van A.L. Snijders vanonder mijn kussen. Onder de dekens, in het schijnsel  van mijn mobiel, dwong ik met woorden en zinnen de hele sfeer in die container naar de achtergrond. Het schoof bij wijze van spreke zo bij me vandaan, de ijzeren deur uit, het tuintje in, weg. Ik las, ‘Hoe heten die poppen ook alweer aan touwtjes, die we laatst gezien hebben, papa? Majoretten?’

Het gaat over J.H. Donner, schaker, schrijver, vriend van Mulisch (Mulisch lag Snijders niet zo, er was iets met een vrouw die hij, de grote schrijver, van hem had afgetroggeld). Donner wandelt op een zondagmiddag met zijn dochtertje aan de hand als zij deze vraag over poppen aan touwen stelt, daar zelf een antwoord op geeft. In de ruimte tussen haar vraag, en haar vragende antwoord, maakt Donner zich op haar te antwoorden. Het woord 'marionet' was paraat, maar dan raakt hij in verwarring, ‘Haar eenvoudiger woord had het mijne met één klap weggevaagd.’ In de tussenruimten tussen twee woorden ligt een wonderlijke wereld verborgen.

In de rubriek ‘Tien geboden’ van Arjan Visser werd schrijfster Marian Donner eens bevraagd. Een paar van haar antwoorden noteerde ik omdat ze me zo bevrijdend voorkwamen. Een van haar reacties was, ‘Verlangen naar zuiverheid is funest, domweg omdat het niet haalbaar is’, ruimde mijn geest op. En, ‘Weet je wat ik doe met herinneringen waarover ik me mogelijk zou kunnen schamen? Daar maak ik gewoon ándere verhalen van. Nee joh, ik heb helemaal niet over iemand heen gekotst die keer, ik was net op tijd bij de wc!’ Marian Donner, eens het kind aan de hand van haar vader in een zkv van Snijders, staat nu op de shortlist van de Jan Hanlo Essayprijs 2025 met haar essaybundel Rooksignalen. In die door alcohol doorwasemde nacht, was er een opperste aanwezigheid van kracht, door taal opgeroepen.

 

 

Suikerfabrieksterrein

De boeken van 2024

 Je leest omdat je erover wilt schrijven, er iets van vindt. Je leest ter voorbereiding op een interview, of omdat je de verfilming van een boek zag. Je leest ook als er geen aanleiding is dan enkel het boek dat je vervoert, en dat je daar dan tocht weer over wilt schrijven. Sommige boeken lijken uit marmer gehouwen en tonen toch een ongrijpbaar, dromerig gemoed. Ik denk aan De kamerling van Sasja Janssen over een jongeman die op surrealistische wijze zijn jonge jaren beleeft. Vader overleden, moeder laat hem bij zijn leraar Nederlands wonen. De jongen heet trouwens Alexander Z. en zou niet misstaan in een roman van Vestdijk. De leraar, een geheimzinnig man met vreemde trekjes, laat Alexander voor het huishouden zorgen, de bibliotheek op orde houden. Hoe die jongen zijn weg tussen alle verwachtingen door zoekt.

Je zag een zwartwit foto van Tilda Swinton waarbij ze haar gezicht tussen haar beide handen hield. Terwijl je naar de foto keek, legde je op dezelfde wijze als zij dit had gedaan je handen tegen je gezicht. Je kruiste de armen voor je borst, legde je rechterhand tegen de linkerwang, je linkerhand tegen de rechterwang. Je streelde met je duimen over je wangen. Je begon erbij te wiegen terwijl je je gezicht omsloot. Het ontroerde je, dat beeld van Tilda Swinton, de duimen die je wangen streelden, terwijl je naar de stapels boeken op tafel keek.

Als je leest worden personages de maat der dingen. Met de man sprak je over de moeder van een vriendin. Er was sprake van egocentrisch gedrag, afwijzen van het eigen kind. Je wilde nog meer zeggen toen hij zei, 'Dat klinkt als de moeder in Halfbroer van Nicolien Mizee.' Precies, zo’n moeder! Als je beiden leest, begrijp je elkaar beter. Een boek zet iets in beweging. Soms valt een boek tegen. Dat het boek beter is dan de film bewees Hokwerda's kind.

Voor een voordrachtavond in een café werd je gevraagd naar je lievelingskerstgedicht. Je zei, 'Jaja, natuurlijk' en ontdekte dat er weinig over kerst gedicht was, laat staan dat er een lievelingsgedicht zou zijn. Tot je ‘Annunciatie’ van Marjoleine de Vos vond, een perfect kerstsfeergedicht. Het werd je lievelings. Je las boeken over dementie voor een essay en voor een leesclub las je twee boeken per keer (wat is dat voor leesclub?). In de laatste weken van het jaar las je nog veel moois. Daar wordt in 2025 over geschreven.

Vanmorgen werd je wakker met de gedachte dat alles korter kan, alles is terug te brengen tot een zin. Schrijf een blad vol met zinnen, schrap ze allemaal, tot die ene overblijft, Je droomde van een boek met overgebleven zinnen. Kerouac schreef, 'One day I will find the right words, and they will be simple'. Dat dus.
Het was een rijk boekenjaar, en dat je leest omdat een leven zonder boeken niet te doen is.

 

Robert Anker - Onvergetelijke toegewijde trouweloze tijd
                             Nieuwe veters, Verzamelde gedichten 1979 - 2006
Paul Auster - Bericht uit het innerlijk
 Brooklyn dwaasheid
Martien Frijns - Maria Austria - Fotobiografie
Cobi van Baars - De onbedoelden
Leonieke Baerdwaldt - Dagen als vreemd symptomen
James Baldwin - Niet door water, maar door vuur
Alexander Banenman - De schim van Raamswolde
Paul Beers en Ingborg Dusar - Nerveuze gejaagdheid, over Ingeborg Bachmann
Hester den Boer - Kamp Erika
Hugo Borst - Ach moedertje
Ma
José Henrique Bortoluci - Wat van mij is
(Over) Wim Brands - Alles komt goed

Edgar Cairo - Kopzorg
John Cheever - Bijna een paradijs
Dorien Dijkhuis - Dezelfde maan
Douwe Draaisma - Vergeetboek
Nico Dros - Eiland van gisteren
Brett Easten Ellis - Scherven
Rob van Essen - Ik kom hier nog op terug

Julia Franck - De middagvrouw
Jon Fosse - Wit licht
Martien Frijns - Maria Austria, Fotobiografie
Nicci Gerrard - Woorden schieten te kort (over dementie)
Ramon Gieling - Het bloeden van de jaren
Natalia Ginzburg - Familie Lexicon
                                   Nooit moet je me vragen
Arnon Grunberg - De geschiedenis van mijn opklapbed
Heere Heeresma - Mijmeringen naast mijn naaimachine (over het leed...)
Thomas Heerma van Voss - het archief
Detlef van Heest - Parkeren in Hilversum
Mariken Heitman - De mierenkaravaan 
Judith Hermans - Zomerhuis
Michael Ignatieff - Reis naar het ongerijmde

Sasja Janssen - De kamerling
                             Wie wij schuilen
                             Virgula
                             Mijn vader zegt entropie mijn moeder logica
Josephine Johnson - Nu in november
Oek de Jong - Hokwerda's kind
Æ de Jong (samensteller) -U heb ik lief, De eeuw van Gerard Reve
Michelle van der Kind - Sea, Sex & Witlof (verhalen)
Herman Koch - Ga je erover schrijven
Rachel Kusner - Club Mars 
Lena Kurzen - Schuilhuisje

Josien Laurier - De verhalen
Harrie Lemmens - De muur voorbij, Berlijnse fado
Thomas Lieske - Niets dat hier hemelt
Gilles van der Loo - Café Dorian
Ésouard Louis - Monique ontsnapt
Paul Lynch - Lied van de profeet

Tip Marugg - De morgen loeit weer aan
Kathy Mathys - Tot het glinstert
Thomas van der Meer - Welkom bij de club
Eva Meijer - Voorwaarts
Peter Middeldorp - De kant van Ada
Marga Minco - Achter de muur (verzamelde verhalen)
Nicolien Mizee - Ik kus uw handen duizendmaal (Faxen deel 6)
Erwin Mortier - Gestameld liedboek 
Alice Munro - Lief leven
Teveel geluk
Les Murray - De slabonenpreek (gedichten)

Felix Oestreicher - 3lingnieuws 1937-1943
Naderhand, Kampgedicht
Tezer Ózlü - De kille nachten van de jeugd
Sylvia Plath - Letters Home 
Bram de Ridder - Aangenaam zwaar hoofd
Marijke Schermer - In het oog
Jaap Scholten - Van Oldenzaal tot Ouaguadougou
Helga Schubert - Dag voor dag
Karin Smirnoff - Mijn moeder
Snijders gedundrukt - Zeer kort (samenstelling Arjan Lubach)
F, Starik - Moeder doen
Elisabeth Strout - Vertel me alles

Lia Tilon - Papieren huizen
Olga T0karczuk - Empusion
William Trevor - Felicia's reis
Maud Vanhauwaert - Tosca
Kees Verheul - Een jongen met vier benen
Hans Vervoort - Kleine (en iets grotere) herinneringen aan deze en gene
Delphine de Vigan - Niets weerstaat de nacht
Marjoleine de Vos - Zo hevig in leven, Over sterfelijkheid
J.J. Voskuil - Martelaarschap, Dagboeken 1965-1974

Derek Walcott - Omeros
Hans Warren - Geheim dagboek 1945 - 1948 (1985)
Niña Weijers - Cassandra
Grete Weil - Tramhalte Beethovenstraat
Robbert Welagen - Averij
Richard Wright - Een van ons

 

 

Mag het een zkv meer zijn

Het komt wel eens voor dat ik geen mensen verdraag. Dat het al teveel is wanneer ze langs mijn keukenraam voorbij lopen. Ik trek dan de voordeur open en roep: ‘U bent de zoveelste vandaag. Kunt u alstublieft ergens anders voorbij gaan lopen.’ En dat de nietsvermoedende wandelaar, ‘Oh, dat spijt me’, zegt, vind ik mooi. Als er zelfs gevraagd wordt of hij door zal lopen of dat ik liever heb dat hij terugloopt, om  het voorbijgaan aan mijn raam ongedaan te maken, kies ik geroerd voor het laatste. Waarop de wandelaar achterwaarts lopend uit beeld verdwijnt. Dat kan in een verhaal. Daarom hou ik meer van verhalen dan van mensen. Verhalen die ontstaan in de ruimte tussen de dingen in.

In 2015 schreef ik me in voor de zogenaamde graslijst voor zkv’s van A.L. Snijders (1937-2021). Zo gauw de schrijver een zkv klaar had, kregen wij, die op de lijst stonden, het als eersten onder ogen. Ik geloofde graag dat het een privilege was. Mijn eerste zkv dat ik via de graslijst ontving, heette Valérie. Ik dacht direct aan Amy Winehouse, maar die kwam er niet in voor. Het ging over een jongensachtig meisje dat de schrijver in 2002 bij een paasvuur in de Achterhoek zag. Een kind dat licht en springerig rond het vuur bewoog, er onderwijl takken opgooiend. Maar dat ook even plotseling stil op haar rug in het gras ging liggen, alsof ze dood was. Hij beschreef hoe een vrouw naast het kind ging liggen en zei: ‘Ik wil dezelfde dingen zien als jij.’

Dertien jaar later liet de schrijver een boomchirurg komen om een berkenboom in te korten. De boomchirurg zei, ‘U schreef eens een stukje over mijn dochtertje.’ Dat dochtertje is nu 21 jaar en studeert. Door deze ontmoeting, schrijft de schrijver, was hij opeens het besef van dertien jaren kwijt. Dat lukt je nooit in het echte leven: jaren laten verdwijnen. Wel in een verhaal. Ik vond dat prachtig en liet dit per omgaande de schrijver weten. Geen idee of de schrijver zelf achter de mailing zat maar wilde dat wel geloven. In reactie op mijn mail ontving ik die dag nog een zkv. Hoewel die niets van doen had met het voorgaande, verbeeldde ik me dat deze alleen voor mij was. Omdat ik zijn stukje mooi vond, hij in een goede bui was, omdat het zondag was, de schrijver dacht: 'Vooruit, het mag wel eens een zkv meer zijn'.