
Slabonenpreek
Ik ging voor twee weken naar Amsterdam. Ik nam me voor geen boek mee te nemen. Lezen is de andere kant van schrijven, er moesten keuzes gemaakt worden. Op de ochtend van vertrek pakte ik een tas in. Toiletartikelen, schriftjes, kleren en vooruit, een bosje kleurpotloden. Ik liep van badkamer naar slaapkamer, van slaapkamer naar werkkamer en weer terug. Er sprak weloverwogenheid uit. Toen ik mijn werkkamer uitliep gebeurde het. Ik greep zonder nadenken De slabonenpreek van Les Murray van de plank en deed het in de tas die ik meteen dichtritste. Alsof iemand zou kunnen zeggen, 'Hé, wat moet dat boek daar?'
Op het perron, wachtend op de trein naar Amsterdam, haalde ik het uit mijn tas. Sloeg het open op een willekeurige pagina. De zon scheen, wat beslist bijdroeg aan een gevoel van evenwicht dat over me kwam toen ik de volgende regels las.
'Waarom gedichten schrijven? Om de werkloosheid. / Om de pijnloze migraines, die je moet aftappen zodat ze / op het moment van opeenstapeling langs je schrijvende arm neerschieten.' Uit elke regel sprak een bepaalde perfectie. Dat ‘neerschieten’ van (vloeiende poëzie). En 'pijnloze migraines' die afgetapt worden via de 'schrijvende arm', in woorden eruit vloeien.
De volgende dag liep ik door straten met namen als Maria Austriastraat, Bert Haanstrahof, Johan van der Keukenstraat en wandelde door het rechtlijnige Theo van Gogh park. Het was een mistige ochtend. Ik ging een lichtelijk obscuur (om dat woord ook eens te gebruiken) koffietentje binnen. Versleten meubilair, ruw hout, met de intentie van opzettelijkheid. Het was er een komen en gaan van vaders die met hun peuter op dat tijdloze moment van de ochtend, zo tussen tien en elf uur, brood haalden, een koffie bestelden, met hun kind een saucijzenbroodje aten. Als mannen onder elkaar aan een tafeltje. Moeders met peuters kozen voor bananenbrood, trokken er een kinderstoel bij.
Tegenover me aan tafel, type handenarbeidtafel vorige eeuw, kwamen twee jonge vrouwen (zonder kind) zitten. De ene vrouw, donker wijduitstaand haar, vertelde hoe ze de avond daarvoor het helemaal had gehad. De andere vrouw, strak achterover gekamd haar in een paardenstaart, luisterde bewogen. Dat ze haar kind niet meer aan haar borst verdroeg, de pijn. Dat het huilde zodra ze het weglegde, ook als ze dat niet deed. Ze had het in handen van de vader geduwd zo gauw die zich vertoonde en zich naar haar werkkamer (goddank, er was een werkkamer) gespoed. Daar had ze geschreeuwd en gehuild. Ze lachte er verontschuldigend bij. Ze was woest geweest. Ze zei, ‘Niemand heeft me ooit verteld dat het zo zou zijn. Of anders heb ik het niet gehoord’, zei ze er achteraan.
We horen niets als daarmee een droombeeld verstoord wordt. Veertig jaar geleden vond ik het ook onbestaanbaar dat niemand mij het echte verhaal van moederschap had verteld. Ze keken wel uit.
Ik wilde, gezeten aan de andere kant van de tafel, ze iets meegeven. Zeggen, ‘Kennen jullie het boek van Ianthe Mosselman, Al die liefde en woede?' Maar ik zei niets, liet de vrouw met de strakke paardenstaart troostend haar hand op de arm van de teleurgestelde jonge vrouw leggen.
Ook wilde ik zeggen, lees In het land van moeders van Rachel Cusk. Haar eerste baby huilt constant, alleen niet als zij het de borst geeft. Gek wordt ze ervan. Dan: haar man zal het kind de fles geven, kan zij afstand nemen (afstand is het sleutelwoord). Cusk schrijft, ‘Stiekem ga ik naar een winkel en koop flesjes, sterilisatietabletten en blikken melkpoeder. Thuis stal ik ze uit als iemand die een bom in elkaar gaat zetten.’ Maar ook dat zei ik niet.
Wandelend naar mijn appartement dacht ik aan het meisje Sonia, uit Vier de Teugels, dat jockey wilde worden. Ze werd zo vaak van haar paard gegooid tot ze het ‘zat werd om steeds vijf kilometer naar de stal te moeten lopen of bij een ander meisje achterop te stappen’. Vanaf die gedachte bleef ze in het zadel. Een enkel voornemen voldoet om de dingen te doen keren.
Murray schreef, ‘Alleen kunst kan een idee bevatten.’, ook dat kan helpen.
Later belde ik naar huis, dat ik op mijn plek was, hoe lief de kat, het uitzicht, de dagen.
