Werk in Uitvoering

De bijna knipoog

2 juni 2026

Als ik virtuele vrienden in het echte leven tegenkomt weet ik me geen raad door alle informatie die ik over ze weet, informatie die ik als verslaafd gluurder tot me genomen heb.

Het was in Utrecht, waar ik een tijd lang frequenter kwam, dat ik er geregeld een tegenkwam. Steeds deed ik mijn best hem niet te herkennen door weg te kijken op het juiste moment en zelf niet herkend te worden. De eerste keer was in Lombok, in de Kanaalstraat. Er liep een kind aan zijn hand mee. Ik wist iets over de zwemlessen van zijn kinderen, daar schreef hij over. Ik dacht: Ja, dat meisje zit op zwemles. Wij hadden net vanillevla gekocht, mijn dochter, net student aan, en ik. Er werden vluchtige blikken uitgewisseld en ik boog naar mijn dochter en zei: ‘Die ken ik!’ Maar ik kende hem natuurlijk niet. Bevriend op Facebook maakt nog geen kennis, laat staan vriend. Er waren nooit handen geschud of namen uitgewisseld.

De tweede keer was tijdens Literair Festival City2Cities in Utrecht. Onze wegen kruisten elkaar in een stroom van mensen die op weg waren naar een lezing. Ik vermoedde dat hij op weg was naar een optreden van de dichter Stephen James Smith. Daar kon ik me wel iets bij voorstellen, de vrijmoedige Ierse dichter en deze Facebookvriend. Onze blikken botsten nu, bij wijze van spreken, voor een moment tegen elkaar op. Waarop ik mij plotseling omdraaide naar mijn buurvrouw van twee deuren verder die mij vergezelde. Alsof we in een conversatie verwikkeld waren. Die was er niet maar ik begon er snel een. Zo moeilijk is dat niet. Je draait je naar de ander toe en begint te praten. Ik zei, een beetje druk, dat wel: ‘Zeg, zullen we eerst even wat te drinken halen. En moet jij ook naar het toilet?’ Dat was afdoende om te doen alsof je iemand niet had gezien. Tegelijk was het dodelijk en ik stelde me voor wat mijn Kleine Vriendin in zo’n geval zou doen. Ze zou iemand die ze van Facebook kende en in het echt zou tegenkomen, met stralende ogen tegemoet treden alsof het haar lievelingsneef was die ze lang niet had gezien. Er zou een grote lach op haar gezicht verschijnen en de kuiltjes zouden in haar beide wangen glippen. Ze zou: ‘Héé, halloo! Hoe gaat het?’, roepen en haar armen spreiden voor een omhelzing. Maar goed, ik had niet van die stralende ogen. Ik was ook niet zo van ‘Héé halloo hoe gaat het’.

En nu hadden onze blikken zich aan elkaar vergrepen. Er was aan zijn linkeroog iets van een knipoog te zien. Gek genoeg voelde ik dat mijn rechteroog ook licht toegeknepen werd, als een reflex op zijn (net niet) knipoog. Dat was nadat ik in een winkeltje Egyptisch aardewerk had gekocht en waarvan de eigenaresse met een Kroatisch accent me meedeelde dat er alleen maar intelligente mensen in haar winkel kwamen. En dat, omdat ik over dagblad De Telegraaf waarmee ze het aardewerk inpakte, had gezegd dat deze krant zeer  geschikt was als inpakpapier. Waarop ze luid lachte met een zwaar, Kroatisch volume. Ze vertelde in één adem door dat Arduur Gapin (Arthur Japin? Ja, Arduur Gapin) laatst bij haar in de winkel was geweest en dat ze wel een uur met hem had gesproken. En dat zij ook aan een boek schreef. Gevleid door zoveel verheffende mededeelzaamheid, ging ik de straat weer op. En daar fietste hij me in een rood fluwelen jasje tegemoet en vervolgens voorbij. Had ik die bijna knipoog van zijn linkeroog waargenomen.

 

Dit stukje schreef ik in 2014 voor Literair Nederland onder de columnistennaam Inge Meijer. De Facebookvriend die ik in real life tegenkwam was Chrétien Breukers, toen als dichter bekend en van zijn blog De Contrabas. Nu als schrijver en podcaster bij De Nieuwe Contrabas, nog bekender.

 

 

crossmenuchevron-down linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram