Werk in Uitvoering

Artisjok bloemen

21 september 2024

Als ik niet lees, raak ik buiten adem. Ik drijf op de woorden van anderen. Binnenkort geven de man en ik, die elkaar al decennialang kennen, een feestje. Ook dat doet me naar adem happen. Er moest een geschikte ruimte gezocht worden, een cateraar. Het werd een vegan Italiaans Buffet cateraar. Zie dat vegan als een daad van protest. Het feest als een daad van liefde, een ‘pledge of love’. Gewoonlijk houdt ik niet van feesten. Nooit hangt er iets in de kast dat geschikt is voor een feest. En dan.

Er komen meer dan zestig mensen. Ik heb geen voorstelling van meer dan dertig in een ruimte. Ik bedoel, ik zie de lange tafels met de witte tafelkleden. Ik zie de grote potten met bloemen voor me, de linnen servetten. Ik zie de lange buffettafel langs de muur, het damasten kleed erover, de gestapelde borden en kommen. Ik zie de grote vaas met artisjok bloemen op de grond, maar heb geen voorstelling van zestig mensen in een ruimte. De man en ik voeren de orkestratie van het feest. Dat ik geen beeld heb van zoveel mensen in een ruimte is een punt van onrust. 

Een feest is niet meer zoals Remco Campert over de feesten na de bevrijding zei, ‘Je stampte met je voet op de grond en er was feest.’ Nu moet je er flink voor aan de ketenen rammelen, kleden kloppen en de bedden schudden.

Om dingen voor het feest ging ik met de pont de IJssel over naar Deventer. De zon scheen. Op de IJssel sloeg een aalscholver met trage bewegingen zijn vleugels uit, kwam na vijf, zes meter los van het water. Op de zijkant van de kajuit stond het draaggewicht van de pont: ‘100 pers.’. Ik dacht, nu kan ik mij een voorstelling gaan maken. Terwijl de stuurman de kaartjes knipte, nam ik een boek uit mijn tas. Vanaf de eerste bladzijde was ik gegrepen door de roman Voorwaarts van Eva Meijer. Over een groep jonge anarchisten uit Parijs die in 1923 een commune stichtten waar naturisme, veganisme, gelijkheid tussen man en vrouw en de vrije liefde zijn vorm moest vinden. Ik leunde met mijn onderarmen op de reling en begon te lezen. Een liefdesbrief, geschreven door Sophie door wier dagboekaantekeningen we de commune leren kennen. Het was of alles in elkaar paste. Alles in het teken van het feest, van de liefde plaatsvond.

‘Lieve Clémence, Ik wist nooit waarom ik een naam had, tot ik jou ontmoette en begreep: Het is zodat jij me kunt roepen. Mijn woorden kunnen jou niet van mij laten houden. Woorden kunnen de werkelijkheid nooit ombuigen, ze kunnen haar hooguit anders laten zien.’ 

Sophie schreef deze brief nadat Clémence, met wie ze de vrouwenliefde beleefde, zich terugtrok omdat haar vriend Louis, de ongekroonde leider van de groep, het niet verdroeg. ‘Nooit heb ik iets van je willen maken dat je niet bent, nooit heb ik je willen bezitten. Ik wil je vrijheid alleen vergroten.’, schreef Sophie haar.

Daar stond ik op de pont, zon op mijn armen, een briesje langs mijn haren, personen tellend en las over liefde. ‘Ik schrijf je om je te laten weten wat ik voel, maar loop steeds tegen de grenzen van de taal aan:’ Dat, dacht ik, dat is het. Om over grenzen te gaan, heb ik de woorden van anderen nodig, moet ik iets ongekends gebruiken om verder te komen. 

Achtenvijftig personen gingen met de pont mee. Er werd tegen de wind in gepraat. Iemand riep, ‘Ik geloof dat Eus hier woont’. En ik las verder: ‘hoe meer ik schrijf, hoe meer ik ook niet kan schrijven. Ik bedoel: ik hou van jou.’ 

Precies dat.

 

 


Voorwaarts / blz. 238
Eva Meijer
Uitgeverij Cossee (2019)

crossmenuchevron-down linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram