De openingsavond van het poëziefestival was in de Puddingfabriek, het dagprogramma in de Prinsentuin. Waar ik door loofgangen ging en door een gat in de heg naar bescheiden en uitgesproken dichters luisterde. Die dingen zeiden als: ‘Met mij is niet te doen’.
Er gaan veel bedden in een container, vijf stapelbedden waarin we met zijn tienen sliepen. Er was wat in - en uitloop tijdens de nachtelijke uren. Een groep Duitse jongemannen bleef lopen tot alle drankflessen die ze hadden meegebracht leeg waren. Waarna ze tegen dingen opbotsend hun bed opzochten. Er werden hoofden gestoten, voeten glipten van bedranden bij de klim naar het bovenbed, er klonken verschillende hartstochtelijke ‘Scheiße's’. Waarna het ruften begon, het snurken in alle toonaarden, de lucht zich verdichtte tot een alcoholwalm. Verscholen onder een deken in een benedenbed kwam ik mezelf opeens als ridicuul voor. Ik vroeg me af hoe ik hier in godsnaam verzeild was geraakt.
Ik moest hier weg, maar durfde het bed niet te verlaten. Ik keek wel uit. Als teken van moed pakte ik de bundel zkv's Het oog van de naald van A.L. Snijders vanonder mijn kussen. Onder de dekens, in het schijnsel van mijn mobiel, dwong ik met woorden en zinnen de hele sfeer in die container naar de achtergrond. Het schoof bij wijze van spreke zo bij me vandaan, de ijzeren deur uit, het tuintje in, weg. Ik las, ‘Hoe heten die poppen ook alweer aan touwtjes, die we laatst gezien hebben, papa? Majoretten?’
Het gaat over J.H. Donner, schaker, schrijver, vriend van Mulisch (Mulisch lag Snijders niet zo, er was iets met een vrouw die hij, de grote schrijver, van hem had afgetroggeld). Donner wandelt op een zondagmiddag met zijn dochtertje aan de hand als zij deze vraag over poppen aan touwen stelt, daar zelf een antwoord op geeft. In de ruimte tussen haar vraag, en haar vragende antwoord, maakt Donner zich op haar te antwoorden. Het woord 'marionet' was paraat, maar dan raakt hij in verwarring, ‘Haar eenvoudiger woord had het mijne met één klap weggevaagd.’ In de tussenruimten tussen twee woorden ligt een wonderlijke wereld verborgen.
In de rubriek ‘Tien geboden’ van Arjan Visser werd schrijfster Marian Donner eens bevraagd. Een paar van haar antwoorden noteerde ik omdat ze me zo bevrijdend voorkwamen. Een van haar reacties was, ‘Verlangen naar zuiverheid is funest, domweg omdat het niet haalbaar is’, ruimde mijn geest op. En, ‘Weet je wat ik doe met herinneringen waarover ik me mogelijk zou kunnen schamen? Daar maak ik gewoon ándere verhalen van. Nee joh, ik heb helemaal niet over iemand heen gekotst die keer, ik was net op tijd bij de wc!’ Marian Donner, eens het kind aan de hand van haar vader in een zkv van Snijders, staat nu op de shortlist van de Jan Hanlo Essayprijs 2025 met haar essaybundel Rooksignalen. In die door alcohol doorwasemde nacht, was er een opperste aanwezigheid van kracht, door taal opgeroepen.

